Er staat, midden in mijn tuin, een nagenoeg dode boom die ik al jarenlang gedoog. Naamloos, troosteloos en onherroepelijk ontzield. Nu de lente de tuin weer leven inblaast met bloesem, bloem en groen, valt zijn naakte bijnadoodsheid des te meer op als een storende onvolmaaktheid. Een levenloos maar vloekend artefact. ‘Hak dit dor karkas toch om’ meen ik menig bezoeker te horen denken, soms zelfs zeggen. Een enkeling waagt het me dwingend naar de slachtbijl te vragen. Maar ik weersta hun oproep tot levensbeëindigend geweld, want ik weet dat dra het wonder komt. Om zijn stam en tot diep in zijn kruin slingert zich immers, goed verborgen maar liefkozend om het dode hout heen, een pracht van een clematis. Voor de snelle kijker valt de schuchtere schoonheid amper op, maar wie zorgvuldig de tijd neemt ontwart al gauw haar duizenden draadjes en knopjes die zich straks in volle glorie gaan ontplooien tot de mooist mogelijke ruiker van wel duizend oudroze bloemen. Voor enkele weken zit mijn boom dan weer vol geur en gonzend leven en verwerft hij mijn eeuwige verdraagzaamheid voor zijn verregaande onvolmaaktheid.
Moeten we, zo leer ik van mijn boom, niet beter leren kijken naar wat we eerst niet lijken te (willen) zien? Die gedachte borrelt bij me op tijdens een recente bijeenkomst met kinderpijnspecialisten in Zweden. In een krappe zaal kwamen twee dagen lang honderdvijftig artsen en verpleegkundigen samen om het met elkaar te hebben over pijn en angst bij zieke kinderen. De organiserende en zeer actieve ‘Svenske barnsmart forening’ (Zweedse kinderpijnvereniging) bestaat straks twintig jaar. Het complexe thema krijgt alle aandacht en vele nieuwe inzichten passeren de revue.
“Moeten we, zo leer ik van mijn boom, niet beter leren kijken naar wat we eerst niet lijken te (willen) zien?”
Toch is het indrukwekkend hoe de kloof tussen onze kennis en het verbeteren van de dagelijkse zorg haast ongewijzigd diep blijft. Hypnose en afleiding worden uitgebreid gepromoot als effectief soelaas tijdens een pijnlijke prik, maar bij navraag blijkt niemand in de zaal in een van beide te zijn getraind. Een kwestie dus van beter opleiden van kinderzorgprofessionals, natuurlijk, maar geen een die weet hoe dat het beste kan. Een gepassioneerd verpleegkundige uit Stockholm legt de complexiteit van het probleem uit. Om te beginnen blijken we tijdens medische verrichtingen bij kinderen de pijn en de angst vaak niet te zien omdat we niet goed kijken. De eelt op onze ziel, de noodzakelijkheid van de pijnlijke procedure, niet goed weten hoe het anders kan, allemaal spelen ze een rol in onze blindheid.
Er wordt ook onderzoek geciteerd dat toont hoe indrukwekkend de gevolgen voor het kind zijn van een onaangename, pijnlijke of stressvolle, ervaring in het ziekenhuis: nachtmerries, gedragsverandering, abnormale fantasieën, wantrouwen en angstige herbelevingen. Nog indringender wordt het als wordt uitgelegd dat ook ‘roesjes’ met midazolam, lachgas of ketamine, tot zelfs anesthesie, deze late trauma’s kunnen veroorzaken indien ze niet in de juiste, geduldige kindgerichte omstandigheden worden toegepast of niet zijn afgestemd op tempo en beleving van het kind.
Op korte termijn lijken we de pijn en angst dan wel weg te nemen, maar de late nadelige effecten hebben we niet in de gaten. Zoals we de clematis in mijn boom niet zien omdat we niet zorgvuldig kijken. De spreekster pleit voor meer mildheid in ons handelen! Meer ‘clementie’ zeg maar; zachtheid en geduld om op het ritme van het kind te doen wat nodig is. Een slaapverwekkend medicijn mag volgens haar niet meer dan slechts een hulpmiddel zijn bij zorg(vuldigheid) op maat. En het moet allemaal wat trager: verdovende EMLA-zalf vier uur voorafgaand aan een prik is op haar afdeling intussen routinezorg geworden.
“Mildheid, clementie, geduldige traagheid… de ouderwetse woorden tuimelden door mijn hoofd”
Mildheid, clementie, geduldige traagheid… de ouderwetse woorden tuimelden door mijn hoofd. Hoe leg ik dat straks thuis uit? Hoe leren we deze wijsheden aan elkaar en vooral – hoe bouwen we het in ons dagelijks handelen in? Is er een optimale dosis voor of volgen we best gewoon ons gevoel? En wat met de haastige operational excellence waar onze managers zo mee zweren? Verdraagt die wel mildheid en geduld? Op de terugweg naar huis lees ik in mijn mailbox een bericht van de grote Baruch Krauss. Deze bescheiden specialist in de spoedeisende geneeskunde is een grootheid in het bestrijden van procedurele angst bij kinderen en heeft vele tientallen publicaties op zijn naam staan. Hij stuurt me een video die hij zopas heeft gepubliceerd in het toonaangevende blad The New England Journal of Medicine met daarin adviezen hoe om te gaan met een bang kind in een ziekenhuis. Het is één oproep tot geduld, traagheid en empathie. Wat bijzonder toch dat we, anno 2016, elkaar nog moeten instrueren hoe het best met kwetsbare mensen om te gaan. Maar het werd hoogtijd dat we eindelijk leren te kijken naar wat we niet eerder goed zagen.
Piet Leroy, kinderarts en kinderintensivist
Baruch Krauss, Current concepts in management of pain in children in the emergency department
Lees ook: