De transitie in zorg voor jongeren moet beter door Kwaliteitsstandaard

FNO neemt het voortouw in initiëren van Kwaliteitsstandaard voor jongeren met een chronische aandoening

Tussen Wal en Schip

Ruim 700.000 jongeren in Nederland groeien op met een chronische aandoening, zoals diabetes, reuma of taaislijmziekte. Na hun achttiende verjaardag staan ze voor een vaak abrupte overgang (transitie) van kinderarts naar volwassenenarts. Daar gaat het te vaak mis. Ze verdwijnen soms totaal van de zorgradar. FNO heeft de handschoen opgepakt en maakt vandaag bekend te gaan werken aan een landelijke Kwaliteitsstandaard Transitie in de zorg. Daartoe is een Pledge ondertekend door verschillende organisaties en heeft FNO 200.000 euro aan financiële ondersteuning toegekend.

FNO ontwikkelt deze Kwaliteitsstandaard samen met ervaringsdeskundige jongeren, partners uit beroepsgroepen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en de Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), patiëntvertegenwoordiging en zorgverzekeraars. Methodologische ondersteuning bij de ontwikkeling zal worden verzorgd door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (KIMS). In het programma om tot de Kwaliteitsstandaard te komen, wordt niet alleen de landelijke norm voor goede transitiezorg omschreven, maar ook concrete aanbevelingen, handvatten en een stappenplan opgesteld. Parallel aan de ontwikkeling van de Kwaliteitsstandaard zal in het programma gewerkt worden aan implementatie van best practices en geleerde lessen. 

Pledge

Met deze pledge beloven de partijen zich vanaf nu samen in te zetten voor een geleidelijke en gestructureerde transitie van kinderzorg naar volwassenenzorg voor alle jongeren met een chronische aandoening in Nederland. Met de ontwikkeling van de landelijke Kwaliteitsstandaard Transitie in zorg als belangrijkste uitkomst. Daarnaast verbinden zij zicht met het ondertekenen van deze pledge aan het Nationaal Programma Preventie ‘Alles is Gezondheid…’ dat bijdraagt aan een gezonder en vitaler Nederland.

Het moet echt anders

 width=Een veldronde vanuit het FNO programma Zorg én Perspectief (ZéP) en de urgentie die het Jongerenpanel ZéP aan dit thema gaf, maakten duidelijk dat het echt anders moet rond de transitie in zorg van jongeren in Nederland. Voorzitter van het Jongerenpanel ZéP Bente van Oort zegt hierover: “de transitie van kindzorg naar volwassenzorg zou niet verbonden moet zijn aan een bepaalde leeftijd, maar aan de behoefte en keuze van de jongere zelf. Het moet een proces zijn waarin jongeren geleidelijk léren regie te nemen. In een veilige omgeving waar zij zelfstandig kunnen omgaan met hun aandoening.”

Lees hier de pledge en meer informatie over de transitie in zorg
Lees hier de persoonlijke ervaringen van Rik, Elisa en Eline in het online magazine

Op 1 februari 2019 ondertekenden FNO ZéP en het Jongerenpanel ZéP met diverse partijen een maatschappelijke belofte: de Pledge transitie in zorg. Dit gebeurde in aanwezigheid van Judith Tielen (Tweede Kamerlid VVD) en Henk Smid (voorzitter programma en directeur ZonMw).

Ondertekenaars Pledge Transitie in zorg:
NVK, Stichting Kind en Ziekenhuis, V&VN, lectoraat Transities in Zorg Hogeschool Rotterdam, MIND, KIMS, Jongerenpanel ZéP, FNO en met ondersteuning van de Patientenfederatie

Transitie naar volwassenenzorg gaat soepeler met peerbuddy

Voor het peerbuddyproject dat wij in samenwerking met Curias zijn gestart worden geen dikke rapporten geschreven, maar is een filmpje gemaakt over wat we inmiddels hebben bereikt. Super dat de echte helden, de jongeren in het filmpje, ook aan het woord komen!

Cecilia Kalsbeek, projectleider peerbuddyproject van Curias, vertelt over het project.

Zie ook de eerdere artikelen die hierover verschenen zijn

https://kindenzorg.nl/van-kinderarts-naar-volwassenenzorg/

https://kindenzorg.nl/goodbye-kinderarts-hello-specialist/

 

 

 

Van kinderarts naar volwassenenzorg? Onze animatie vertelt meer over deze transitie!

In een eerder artikel vertelden wij al meer over ons Peerbuddyproject. Alle kinderen met een chronische aandoening maken rond hun zestiende of achttiende levensjaar de overgang van kinderarts naar volwassenenzorg. Plotseling zijn ze zelf verantwoordelijk voor afspraken op de poli, onderzoeken en gesprekken met de arts. Dat valt niet mee. In het project Peerbuddy van Kind & Ziekenhuis worden jongeren ondersteund bij het maken van een soepele overgang.

Animatie

Speciaal voor dit project hebben wij een animatie gemaakt waarin de belangrijkste verschillen tussen de kinderarts en volwassenenzorg worden uitgelegd.

Foto animatie transitiezorg

Zelf regie leren nemen

Het belangrijkste is dat jongeren zelf de regie leren te nemen over de zorg rondom hun chronische aandoening. Om te zorgen dat je je niet in het diepe gegooid voelt en de transitie naar de volwassenenzorg soepel te laten verlopen, worden in dit project peerbuddy’s ingezet. Is dat misschien ook iets voor jou?

Meer informatie vind je op: Goodbye Kinderarts.

Peerbuddyproject

Goodbye kinderarts, hello specialist

Peerbuddyproject: transitie naar volwassenenzorg

Alle kinderen met een chronische aandoening maken rond hun zestiende of achttiende levensjaar de overgang van kinderarts naar volwassenenzorg. Plotseling zijn ze zelf verantwoordelijk voor afspraken op de poli, onderzoeken en gesprekken met de arts. Dat valt niet mee. In het project Peerbuddy van Kind & Ziekenhuis worden jongeren ondersteund bij het maken van een soepele overgang. Projectleider Cecilia Kalsbeek legt aan de hand van het fictieve personage Harke uit waarom peerbuddy’s belangrijk zijn.

Harke is 22 jaar. Hij heeft zijn hele leven al een zeldzame aandoening waardoor hij van zowel zijn hart last heeft als van diabetes. Toen hij achttien jaar werd, moest hij veranderen van arts. Hij zat best goed bij zijn kinderarts, vond hij zelf. Hij kende haar al zijn hele leven. Ze was aardig en luisterde altijd naar zijn verhaal. Er was tijdens het consult altijd voldoende tijd, meestal een half uur. Ze maakten ook veel grapjes samen. De kinderarts hield net als Harke van voetbal. De kinderpoli was vrolijk ingericht en in de wachtkamer waren leuke computerspelletjes. Maar hij kreeg te horen dat hij nu te oud was om op de kinderpoli te komen. Dat vond hij zelf ook wel. Als hij weer werd opgenomen, lag hij op een afdeling met veel jonge kinderen. Aan de Cliniclowns had hij al lang geen behoefte meer. En als de pedagogisch medewerker langskwam om met hem te praten over de operatie, vond hij dat niet nodig. Liever zou hij voor vol worden aangezien. Dat iemand hem gewoon medisch zou uitleggen wat er ging gebeuren. Eigenlijk was Harke dus wel toe aan de volwassenenzorg.

Vragen

Toch verliep het allemaal niet zo vlot. Zijn moeder ging niet meer mee naar de consulten. Af en toe voelde hij zich overrompeld door wat de specialist zei of was hij vergeten wat hij wilde vragen. Nu was er maar tien minuten per consult. Hij durfde niet zo goed te praten over onderwerpen zoals school, seksualiteit en medicijngebruik. Hij wilde ook wel eens een biertje drinken, net als zijn vrienden, laat naar bed gaan of een keer met een leuk meisje mee. Dat had allemaal wel gevolgen voor zijn aandoening, maar hij durfde er in het ziekenhuis niet over te praten. “De afspraken moesten altijd maar kort en zakelijk. Soms leek het alsof de arts voor me besliste”, vertelt hij. Dan was er iets ‘afgesproken’ waar hij het eigenlijk niet mee eens was. Veel onderzoeken moest hij zelf aanvragen, afspraken moest hij nu zelf maken. Bij de kinderarts werden zijn ouders eraan herinnerd dat hij weer op controle moest komen. Nu herinnerde niemand Harke ergens aan. Hij moest het allemaal zelf doen.

Kil

Soms ging het mis met zijn gezondheid en moest hij worden opgenomen. Dat vond hij helemaal verschrikkelijk. “De afdeling is kil en saai. Geen gezelligheid en veel oude mensen om me heen”, legt Harke uit. Zijn ouders mochten niet blijven slapen. Hij redde zich wel, maar het was even wennen. Daarom heeft Harke zich opgegeven als peerbuddy bij het project van Kind & Ziekenhuis. Hij wil voorkomen dat andere jonge mensen met een chronische aandoening zich verloren voelen in de overgang van kinderarts naar volwassenenzorg.

Hij is nu peerbuddy voor Jantine. Jantine is nog maar zestien, maar ze weet precies wat ze wil: over naar de volwassenenzorg. Hoewel Jantine best pittig is en niet op haar mondje gevallen, is ze blij dat Harke haar buddy is. “Er blijven dingen die je liever met een buddy bespreekt dan met de arts”, zegt ze. “Harke weet hoe het is, hij heeft het zelf meegemaakt, daar kan ik veel van leren. En daarbij is het heel gezellig.” Het meeste contact is digitaal, Harke en Jantine appen veel met elkaar. Soms facetimen ze of zien ze elkaar in de stad.

Cecilia Kalsbeek, directeur en senioronderzoeker Curias en projectleider van het peerbuddyproject voor Kind & Ziekenhuis

Peerbuddyproject Kind & Ziekenhuis

In het Peerbuddyproject van Kind & Ziekenhuis worden buddy’s opgeleid en gekoppeld aan een peer: een gelijke of leeftijdgenoot, iemand met eenzelfde of vergelijkbare aandoening die de overstap nog moet maken. De buddy’s hebben contact met elkaar en helpen elkaar als het nodig is. Een psycholoog houdt als achterwacht contact met alle buddy’s en peers en begeleidt de terugkomdagen.

Het project is een pilot om te zien of het concept werkt en om ervan te leren. De jongeren die meedoen, brengen zelf veel in. Zo hebben ze de buddytraining mede ontwikkeld en heeft een jongerenpanel vooraf meegedacht over het project. De jongeren van dit panel worden nog steeds benaderd voor vragen; bij de terugkomdagen is hun feedback van belang. Ook hebben de panelleden hun eigen oude kinderartsen benaderd bij het werven van de peers en hebben ze via sociale media oproepen verspreid. Via focusgroepen met jongeren is inzicht verkregen in de ervaringen met de transitie naar de volwassenenzorg. Hieruit blijkt dat de overgang een groot probleem is. Er komen uit die focusgroepen nog schrijnender gevallen naar voren dan Harke. Een aantal zorgverleners werkt mee aan het Peerbuddyproject omdat zij zien hoe belangrijk een goede begeleiding bij de transitie is en de meerwaarde die een leeftijdgenoot kan hebben. De pilot krijgt een vervolg binnen meerdere transitiepoli’s in het land.

Het Peerbuddyproject van Kind & Ziekenhuis wordt mede uitgevoerd door Curias binnen het programma Zorg en Perspectief van Fonds Nuts Ohra. Centraal binnen de programmalijn staat het bevorderen van ontwikkelingsgerichte zorg, met name de ontwikkeling van de jongere, en dus niet de aandoening.

Informatie:

www.goodbyekinderarts.nl
www.fnozorgvoorkansen.nl

Zorg van 20-wekenecho tot ver in de volwassenheid

Een vrouw van 54 jaar gaat naar de kinderarts omdat ze een aangeboren chronische ziekte heeft. Een beetje vreemd? Niet voor kinderlongarts Kors van der Ent. De levensverwachting van mensen met aangeboren aandoeningen zoals cystic fibrosis is drastisch gestegen. Dat maakt een totaal andere organisatie van de medische zorg noodzakelijk. UMC Utrecht schakelt langzamerhand over op levensloopgeneeskunde: zorg voor patiënten vanaf de 20-wekenecho tot ver in de volwassenheid. De muren tussen de ziekenhuizen voor volwassenen en kinderen worden flexibel.

Tot nu toe is de zorg in het ziekenhuis verdeeld in twee groepen: nul tot achttien jaar en achttien jaar en ouder. Kinderen van achttien jaar worden overgeheveld naar een arts voor volwassenen, want zo is het ziekenhuis nu eenmaal georganiseerd. Daarmee ga je voorbij aan wat patiënten nodig hebben, vindt Kors van der Ent. Hij is kinderlongarts in het Wilhelmina Kinderziekenhuis, hoogleraar kinderlongziekten en voorzitter van het programma Child Health van UMC Utrecht. “We moeten de organisatie van de zorg aanpassen aan de enorme veranderingen in de kindergeneeskunde. Twintig jaar geleden overleden patiënten met cystic firosis (CF) op jonge leeftijd, tegenwoordig blijven ze bijna allemaal leven. Kinderen met een aangeboren hartgebrek worden volwassen, veel te vroeg geboren kinderen, kinderen met kanker. Tot voor kort hadden we geen idee dat de helft van de patiënten met CF ook suikerziekte zou ontwikkelen en dat ze een hoge kans hebben op botontkalking. Om hun vruchtbaarheid maakten we ons niet zo druk, want dat was niet aan de orde. Nu wel.”

“Tot voor kort hadden we geen idee dat de helft van de patiënten met CF ook suikerziekte zou ontwikkelen en dat ze een hoge kans hebben op botontkalking.”

Kinderartsen hebben er een nieuwe groep patiënten bijgekregen waarvan ze zich moeten afvragen welke complicaties hun ziekte later zal hebben en wat de gevolgen van medisch handelen zijn op de lange termijn. “Dat is de eerste pilaar van levensloopgeneeskunde”,
zegt Van der Ent. “Onze patiënten worden veel ouder dan voorheen, maar ze houden dezelfde gezondheidsproblemen als in hun kindertijd. We krijgen ook jongere patiënten, want bijvoorbeeld aangeboren hartafwijkingen worden al bij de 20-wekenecho gediagnosticeerd. Baby’s krijgen een nieuwe hartklep, maar nu blijkt dat die rond achttien jaar te klein wordt. Dus moeten we misschien besluiten dat het goed is om patiënten rond hun tiende levensjaar weer een nieuwe hartklep te geven. Als kinderartsen moeten we het ziektebeloop van voor de geboorte tot ver in de volwassenheid kunnen volgen. Dat heeft vergaande consequenties voor samenwerkingen die je aangaat, voor
wat je doet en voor de manier waarop je patiënten volgt en met ze meedenkt.”

Regie

De tweede pilaar van de levensloopgeneeskunde is volgens Van der Ent: oog hebben voor de psychosociale ontwikkeling van de patiënt. “Jarenlang hebben we ziekte als een bedreiging gezien, iets wat afbreuk doet aan wat kinderen kunnen. Nu gaan we uit van wat de patiënt nog wel kan, en hoe hij of zij die mogelijkheden op de lange termijn zo goed mogelijk kan inzetten. We zijn niet meer alleen bezig met het verminderen van de pijn en het verdriet dat een ziek kind nu heeft, maar we denken na over hoe we chronisch zieke kinderen kunnen helpen om evenwichtige en gelukkige volwassenen te worden, met of
zonder fysieke beperkingen. We stimuleren onze patiënten om de regie over hun leven te nemen, zodat ze zich als volwassene staande kunnen houden.”

Volwassenen

De zorg voor kinderen en volwassenen ligt steeds meer in elkaars verlengde, of loopt door elkaar. De oudste patiënt van Van der Ent is een vrouw van 54 jaar met CF. “Ze kan bij mij terecht omdat we als kinderartsen kennis hebben over zeldzame, aangeboren afwijkingen waar artsen voor volwassenen niets van weten omdat die patiënten vroeger niet volwassen werden.

We hebben technieken en medicijnen voor kinderen ontwikkeld waar ook volwassenen extreem goed op kunnen reageren. Iemand met een aangeboren hartgebrek kan misschien beter geopereerd worden door een kinderhartchirurg, omdat die de juiste kennis en apparatuur heeft. Het gaat dus niet meer om leeftijd, maar om wat zinnig is voor de patiënt. Artsen voor volwassenen zien ook ziektebeelden die ze vroeger nooit zagen en waar ze geen ervaring mee hebben. Een patiënt met twintig jaar medische ervaring is veel meer deskundige op het gebied van zijn ziekte en leven dan die dokter misschien gewend is.”

Voorlopig ligt de focus voor levensloopgeneeskunde bij vier groepen: kinderen met problemen rond de geboorte, zeldzame aangeboren afwijkingen, ernstige ontstekingsziekten zoals reuma en CF, kinderen met kanker. Van der Ent: “We streven er bijvoorbeeld naar om de cardiologen voor volwassen patiënten met aangeboren afwijkingen, samen te laten werken met de kindercardiologen. We zetten de gegevens van kinderen en volwassenen in dezelfde database en bij onderzoek naar bepaalde ziektes streven we naar één onderzoeksteam voor zowel kinderen als volwassenen. Het wordt een continuüm van zorg van voor de geboorte tot ver in de volwassenheid. De organisatie van de zorg wordt afgestemd op wat goed is voor de patiënt, in plaats van wat handig is voor de organisatie.”

Onderzoek psycholoog Renske Schappin

Problemen voorspellen en voorkomen

Kinderen met een hartafwijking lopen risico op hersenschade door zuurstofgebrek. Dat begint al tijdens de zwangerschap en kan worden verergerd tijdens de hartoperatie na de geboorte. In het multidisciplinaire Congenital Heart Disease Lifespan Project wordt onderzocht wanneer welke schade ontstaat, wat de gevolgen zijn en hoe schadelijke gevolgen beperkt kunnen worden. Psycholoog Renske Schappin doet onderzoek naar wat er gebeurt met ouders, als ze bij de 20-wekenecho horen dat hun kind een ernstige hartafwijking heeft en nog voor de eerste verjaardag geopereerd moet worden. Het onderzoek is begonnen in 2016 en zal veertig jaar duren. Wat is het doel? Renske Schappin: “We willen kinderen een zo goed mogelijke start geven, in dit geval door psychologische ondersteuning. We zien dat een deel van de kinderen met een aangeboren hartaandoening psychische problemen ontwikkelt. Ze hebben moeite met plannen en abstract denken, vaardigheden die belangrijk zijn op de middelbare school. We willen zo vroeg mogelijk voorspellen welke kinderen problemen ontwikkelen, zodat we die kunnen voorkomen. Dat kan alleen als we kinderen en ouders eerst heel lang volgen en dan terugkijken: waarin verschillen kinderen en ouders waarmee het wel of niet goed ging? Kunnen we die verschillen al heel vroeg zien? Uiteindelijk willen we bepalen welke bestaande en nieuwe interventies voor deze groep toegevoegde waarde kunnen hebben. We kijken naar ouders omdat we verwachten dat een deel van hen posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkelt. Als ouders getraumatiseerd zijn, is dat slecht voor de hechting met het kind en maakt het een minder goede start. Dat heeft invloed op hoe het kind zich ontwikkelt.” Het onderzoek begint na de 20-wekenecho met een vragenlijst voor ouders over hun verwachtingen over hun eigen toekomst en die van hun kind. Schappin: “Van beide ouders willen we iets weten over geschonden verwachtingen. Als je hoort dat je een kind met een ernstige aandoening krijgt, staat je wereld op zijn kop. Sommige ouders moeten beslissen of ze de zwangerschap afbreken. Het leven loopt in alle gevallen heel anders dan ouders hadden gedacht. Hun kind moet in het ziekenhuis blijven en familie en vrienden reageren terughoudend. Sommige ouders zijn niet veerkrachtig genoeg om daarin hun weg te vinden en krijgen psychische klachten. Ik denk dat geschonden verwachtingen de kern zijn van hoe mensen verder gaan. Naast vragenlijsten krijgen alle ouders een gesprek met een maatschappelijk werker, voor als de vragen gedachten en negatieve gevoelens oproepen. We doen dus niet alleen onderzoek, maar bieden ook zorg voor ouders en kinderen.” Schappin benadrukt dat ze overlegt en samenwerkt met collega’s uit alle disciplines die met deze groep kinderen en ouders te maken hebben. “Het gaat er bij levensloopgeneeskunde om dat je als collega’s ziet wat het gedeelde belang is: het stimuleren van de ontwikkeling van het kind, en dus niet je eigen beroep of afgebakende terrein. Bij alles wat je doet, weeg je het toekomstperspectief van het kind mee.”

Informatie over het onderzoek: r.schappin@umcutrecht.nl

“We denken na over hoe we chronisch zieke kinderen kunnen helpen om evenwichtige en gelukkige volwassenen te worden, met of zonder fysieke beperkingen.”

Levensloopgeneeskunde is onderdeel van het universiteitsbrede programma Child Health, waar de divisie vrouw en baby onder valt, maar ook delen van onder meer genetica, hersenen en heelkundige specialismen. Allemaal artsen die hun thuisbasis in het ziekenhuis voor volwassenen hebben, maar steeds meer ook in het WKZ werken.

“Dat is spannend,” zegt Van der Ent, “het vraagt veel van onze flexibiliteit en veranderingsgezindheid, maar het voelt goed omdat we zien dat patiënten er baat bij hebben. Voor zo’n patiënt van 54 jaar is het prettig dat ze eindelijk de beste medicijnen krijgt, maar wij krijgen er ook veel voor terug. Met haar ervaringen en reflecties kunnen we de zorg in de toekomst verbeteren. We moeten dit echt samen met de patiënten doen.”

Met levensloopgeneeskunde kiest het ziekenhuis ervoor om het grootste deel van de zorg niet meer te steken in patiënten met blindedarmontsteking of longontsteking die na vier, vijf weken weer genezen zijn, maar in chronisch zieken die op de lange termijn de meeste zorg nodig hebben. Van der Ent: “We kijken bijvoorbeeld naar de rol van spel in de ontwikkeling van kinderen. Spelen is voor kinderen competenties opdoen voor het latere leven. Kinderen met reuma en pijn in hun gewrichten, met CF, een tekort aan lucht of een hartgebrek kunnen misschien niet goed meedoen met gym en voetbal of hockey en zitten dagenlang op de bank te gamen. Als je ziet dat ze op lange termijn minder weerbaar zijn of op school vaak gepest worden omdat ze niet de beste zijn met voetbal, moeten we daar als kinderziekenhuis misschien wel extra aandacht aan besteden. We kunnen hun fysieke weerbaarheid trainen door ze bijvoorbeeld op de trampoline te laten spelen. Dat kan consequenties hebben voor hoe we het gebouw inrichten. We proberen te bedenken waar we kinderen het meest mee helpen en dat te onderbouwen.”

“Alles en iedereen moet de attitude hebben: wat we nu doen heeft consequenties voor morgen en overmorgen en de jaren erna.”

Om het begrip levensloopgeneeskunde bij iedereen ‘tussen de oren te krijgen’ heeft het UMC in mei een Child Healthweek georganiseerd. Van der Ent: “We willen dat alle medewerkers ervaren wat patiënten in het ziekenhuis meemaken. We vragen ook aan medewerkers om twee weken het regiem te volgen dat sommige patiënten hun leven lang moeten volgen: drie keer per dag pillen nemen, nooit alcohol drinken. De uitkomst was tijdens het schrijven van dit verhaal nog niet bekend, maar Van der Ent kon het wel voorspellen: “Dat lukt maar weinig medewerkers. Het is heel makkelijk om te zeggen tegen een jongen van zestien: ‘jij moet gewoon je pillen slikken want anders is je longfunctie heel erg slecht als je 25 bent’, maar zie maar eens hoe moeilijk dat is. We hopen meer invoelend vermogen tussen de oren van de medewerkers te krijgen doordat ze ervaren dat zo’n levenslange last echt een enorme last is. Alles en iedereen moet de attitude hebben: wat we nu doen heeft consequenties voor morgen en overmorgen en de jaren erna. We moeten dus nu allemaal investeren in de toekomst van onze patiënten. Ik denk dat we daar breed de noodzaak van zien. We hebben het echt met ons allen in sessies met patiënten en patiëntenorganisaties bedacht. Voor ons is het ook een levenslooptraject. We willen met onze patiënten meegroeien en elkaar stimuleren.”

Heleen Schoone

Programma Dynamics of Youth

Dynamics of Youth is een project van de faculteit Sociale Wetenschappen van Universiteit Utrecht. De onderzoekers kijken onder meer naar factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen: welke kinderen ontwikkelen ADHD, welke lopen het risico dat ze buiten de boot vallen in de klas of gepest worden, welke kinderen ontsporen in hun puberteit of erna. De gegevens van gezonde en zieke kinderen worden naast elkaar gelegd om te kunnen vaststellen wat de impact is van chronische ziekte op onder meer uitval en vertraging op school en op Citoscores. In het programma wordt samengewerkt met de gemeente Utrecht. De kennis van de gemeente wordt gekoppeld en gespiegeld aan de kennis van het ziekenhuis over chronisch zieke kinderen. Zo kunnen risicofactoren benoemd worden voor bijvoorbeeld kinderen met een aangeboren hartafwijking. Misschien is de plek waar een kind opgroeit een nog belangrijker risicofactor dan de chronische ziekte. Ook het Trimbos Instituut is een samenwerkingspartner. Een keer in de vier jaar houdt het instituut een landelijk onderzoek als onderdeel van een groot internationaal onderzoek naar hoe gelukkig kinderen zijn, alcohol- en drugsgebruik en seksuele gewoontes. UMC Utrecht wil weten wat de rol van dergelijke factoren is op chronische ziekten en andersom. Door de gegevens te vergelijken met andere landen kan het ziekenhuis ook beoordelen of etniciteit een risicofactor is voor de langetermijnprognose en ontwikkeling van chronische ziekten. Met samenwerkingspartner Nutricia wordt onderzocht wat het effect van voeding is op chronische ziekten. Het is bijvoorbeeld bekend dat kinderen die overvoed worden in de eerste drie levensmaanden, een hoog risico hebben op astma en luchtwegproblemen en cardiovasculaire complicaties. Op initiatief van de Europese Unie zijn netwerken opgericht voor zeldzame ziekten waarin Europese ziekenhuizen hun expertise delen. Het WKZ heeft de leiding gekregen in de netwerken voor reuma en neurologische aandoeningen en in het netwerk voor cystic fibrosis.

Benjamin: Hart op Weg

Jeannine Greijdanus en Dick Buitenhuis zijn de ouders van Benjamin, een vijfjarige jongen met een ernstige aangeboren hartafwijking. Een paar weken na de geboorte kreeg hij een hartkatheterisatie en na drie maanden werd Benjamin aan zijn hart geopereerd. Het gezin doet vanaf de start in 2013 mee met het Hart op Wegspreekuur in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Doel van het spreekuur is het structureel volgen van de lichamelijke, cognitieve en motorische ontwikkeling van kinderen met de hartafwijkingen Tetralogie van Fallot of Transpositie van de Grote Vaten, zodat eerder en effectiever kan worden ingegrepen. Vanaf zes jaar wordt ook de fysieke fitheid van de kinderen geëvalueerd. Jeannine: “Op het spreekuur wordt liefdevol naar Benjamin gekeken en veel aan ons gevraagd: wat wij aan hem zien, welke vragen we hebben. Eerst luisteren ze naar ons, daarna geven ze hun kijk op Benjamin. Soms gaat hij ook naar de kinderfysiotherapeut. Die bekijkt zijn motoriek en hoe hij in zijn vel zit. Aan heel kleine dingen zien ze de invloed die de hartafwijking en de operatie daarna op hem hebben. Hij wordt nauwkeurig in de gaten gehouden en krijgt hulp als dat nodig is voor zijn gezondheid.”

Zorg van 20-weken tot ver in volwassenheidDick: “Ze hebben begrip voor onze vragen en zorgen. Ik was liever niet in het WKZ geweest, maar ik ga er wel met een fin gevoel naartoe.” Dick: “Onze zoon Noah was vijf toen Benjamin geboren werd. Hij heeft alles heel bewust meegekregen, de spanning vooraf en in de tijd van de operatie. Jeannine: “Ook hij is in het WKZ fantastisch bij alles betrokken. Vlak na de geboorte legde een verpleegkundige hem alles uit en mocht hij Benjamin heel zachtjes aanraken. Daardoor is Noah een echte grote broer geworden, heel zorgzaam.” Jeannine: “We kijken uit naar de oproepen voor Hart op Weg. Zelf zien we wel hoe het gaat, maar we willen het toch graag horen van mensen die het weten. We vinden het heel mooi dat ze niet alleen naar zijn lichamelijke ontwikkeling kijken, maar ook naar zijn algemene ontwikkeling.” Jeannine: “Groep 1 was moeilijk omdat hij een vroege leerling is. Daarom doet hij het eerste jaar over. Nu komt hij goed mee. Door extra gymlessen kan hij nu ook beter meedoen met gym, en hij is begonnen met zwemles.” Dick: “En hij kan prima fitsen.” Jeannine: “Het mooiste is dat hij in het leven staat alsof niemand hem iets kan maken. Hij is een zonnetje in ons leven.”

Leuke enthousiaste BUDDY zoekt jongere (16 t/m 18 jaar) met chronische darmziekte

Wat zijn peer-buddy’s?

Peer-buddy’s zijn jongvolwassenen met een chronische aandoening die zelf al de overgang naar de volwassenenzorg hebben meegemaakt. Zij kunnen door hun eigen recente ervaring als geen ander de chronisch zieke jongere hierin begeleiden. Door contact met de peer-buddy worden de vaardigheden bij de chronisch zieke jongere door een leeftijdsgenoot (peer) vergroot. Bovendien doet de peer-buddy zelf ook verschillende vaardigheden op en maakt een persoonlijke ontwikkeling door. Het peer-buddy project is er dus voor en door jongeren!

“Hoi! Ik ben Laurence en ben één van de peer-buddy’s!” 

“Toen ik een jaar of 15 was merkte dat ik heel veel behoefte had aan informatie over mijn ziekte en ook graag wilde weten hoe ik hier het beste mee om kon gaan. Het leren omgaan heb ik in mijn tienerjaren voor een groot deel op eigen houtje gedaan en soms was dat best wel eens zwaar en moeilijk.

Achteraf denk ik dat het wel eens heel fijn zou zijn geweest als ik iemand gesproken had die wist hoe ik mij voelde en wat ik doormaakte. Helaas ben ik daar toen nooit actief naar op zoek gegaan, omdat ik ergens ook weinig behoefte had om uitgebreid over mijn ziekte te gaan praten. Juist daarom ben ik nu peer-buddy geworden, omdat ik denk dat het heel belangrijk is om zo nu en dan te praten over wat je voelt, wat je meemaakt: zowel de leuke dingen als de minder leuke dingen. Toen ik wat jonger was, dacht ik daar niet zo veel over na. Dus als je het wel eens moeilijk hebt en je zou het fijn vinden om ervaringen te delen met iemand buiten je omgeving, aarzel dan niet! Maak gebruik van dit project, want ik als peer-buddy ben er voor jou!”

Wil je een buddy?

Meld je meteen aan!

Meer informatie over dit project vind je op Goodbye Kinderarts.

 

Nieuw spreekuur voor jongeren met diabetes

Kinderen met diabetes type 1 komen soms al jaren bij het diabetesteam in het Juliana Kinderziekenhuis (JKZ). Tot het moment dat ze 18 jaar worden. Dan ben je opeens ‘volwassen’ en krijg je te maken met een heel nieuw behandelteam. Niet meer in het vertrouwde JKZ, maar bij de afdeling Interne geneeskunde in het HagaZiekenhuis. Voor veel jongeren is die overgang niet makkelijk. Daarom hebben we het jongeren diabetesspreekuur ingevoerd. Jongeren met diabetes gaan vanaf 18 tot 25 jaar naar dit gemeenschappelijke spreekuur van het JKZ en Interne geneeskunde. Zo kunnen ze langzaam wennen en wordt de overstap makkelijker.

Jongeren met diabetes worden intensiever begeleid, vertellen kinderarts-endocrinoloog Daniëlle van der Kaay en kinderdiabetesverpleegkundige Mirjam Offringa van het diabetesteam in het JKZ. Daniëlle: “De overgang naar een nieuw team in de volwassenzorg heeft grote impact bij veel kinderen. Voor velen ging het te abrupt. We doen die overstap nu meer geleidelijk, in een aantal jaar. Tijdens gezamenlijke spreekuren zien de kinderen afwisselend het JKZ-diabetesteam en de zorgverleners waar ze in de volwassenzorg mee te maken krijgen. Zo raken ze vertrouwd met de nieuwe mensen en situatie. Het doel van dit spreekuur is het vergroten van zelfmanagement en deelname aan de polibezoeken in een veilige en laagdrempelige omgeving, specifiek voor jongeren met type 1 diabetes. We willen het overigens wel op maat geven, het ene kind zal de overstap naar de volwassenzorg sneller maken dan het andere. Vandaar ook de langere periode die we hiervoor uittrekken.”

Langzaam meer eigen verantwoordelijkheid

Wat meespeelt is dat de jongeren naast diabetes met veel veranderingen te maken hebben zoals een vervolgopleiding, een 1e baan en verlaten van het ouderlijk huis. Ze kunnen nonchalanter worden met het nakomen van afspraken in het ziekenhuis en kunnen minder therapietrouw worden. Dat heeft gevolgen voor hun gezondheid en de behandeling. Daarnaast kent de volwassenzorg een andere patiëntenbenadering. Zo is er bijvoorbeeld minder tijd op de poli. De jongere moet zijn ziekte meer zelf gaan ‘managen’. En ook de ouders moeten meer loslaten. Kortom, veel veranderingen dus.

Om van het jongeren diabetes spreekuur een succes te maken, heeft een psychologie student telefonische interviews gehouden met jongeren die recent de overstap hebben gemaakt of binnenkort gaan maken. Uit het onderzoek kwamen praktische oplossingen naar voren waar jongeren behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld een elektronische afspraakherinnering, een informele gesprekssfeer, betere bereikbaarheid en het houden van groepsspreekuren. Ook willen ze graag vragen via e-mail stellen. Daniëlle: “Natuurlijk luisteren we hier goed naar. We bekijken onder andere de mogelijkheid om groepsspreekuren op te zetten zodat de jongeren ervaringen met elkaar kunnen delen.”

De eerste reacties zijn positief. Zowel de patiënten die sinds enkele maanden naar het nieuwe transitiespreekuur gaan als de diabetesteams vinden de nieuwe opzet heel prettig.

Diabetes type 1 (ook wel jeugddiabetes genoemd) is een auto-immuunziekte die vaak op jonge leeftijd ontstaat. Het afweersysteem vernielt per ongeluk de cellen die insuline aanmaken. Daardoor kan het lichaam zelf geen insuline meer aanmaken. Het gevolg is dat de patiënt meerdere keren per dag insuline moet spuiten of een insulinepomp heeft.

Uitnodiging: doe mee aan het Peer-buddy Project!

Jongeren met een chronische aandoening hebben tot hun 16e of 18e jaar contact met een kinderarts of kinderspecialist. Deze kennen ze vaak al hun hele leven. De overgang van de kindzorg naar de volwassenenzorg is voor jongeren vaak abrupt. Uit interviews met jongeren (met o.a. astma en
epilepsie) blijkt dat de overgang naar de volwassenenzorg onverwacht kan verlopen. “Toen ik 18
werd, moest ik ineens weg bij de kinderarts”, zegt een jongere met epilepsie. Bij de kinderarts speelt
de ouder vaak nog een actieve rol in het consult en zeker als de aandoening op jonge leeftijd is
geopenbaard. “De kinderarts sprak vooral tegen m’n moeder. Ik had zo iets van ‘hallo, ik ben er ook
hoor!’”, zegt een jongere met astma.

Als een jongere naar de volwassenenzorg gaat, kan hij of zij zich in het diepe gegooid voelen. Tijdens
de adolescentie is therapie-ontrouw een groter risico dan in andere leeftijdsfasen. Een soepel verloop
van de transitie kan dit risico verkleinen. Het belangrijkste is dat jongere zelf de regie leert nemen
over de zorg rondom zijn chronische aandoening.

Uit het onderzoek ‘Op eigen benen’ blijkt dat driekwart van de jongeren met een chronische
aandoening gebruik zou maken van lotgenotencontact indien dit wordt aangeboden.

Om de transitie naar de volwassenenzorg voor de jongere zo soepel mogelijk te laten verlopen, worden in dit project peer-buddy’s ingezet.

Peer-buddy’s zijn jongvolwassenen met een chronische aandoening die zelf al de overgang naar de
volwassenenzorg hebben meegemaakt. Zij kunnen door hun eigen recente ervaring als geen ander
de chronisch zieke jongere hierin begeleiden. Door contact met de peer-buddy worden de
zelfmanagementvaardigheden bij de chronisch zieke jongere door een leeftijdsgenoot (peer) vergroot. Bovendien doet de peer-buddy zelf ook verschillende vaardigheden op en maakt een persoonlijke ontwikkeling door.

Voor het peer-buddy project zijn we op zoek naar jongeren (14 t/m 25 jaar) met een chronische
aandoening die zelf de transitie al hebben ondergaan of die dit nog te wachten staat. Op basis van
hun ervaringen wordt het profiel van de peer-buddy opgesteld en de training ingevuld. Dit wordt door middel van focusgroepen en/of diepte-interviews verkend. Vervolgens kunnen jongeren zich
aanmelden als buddy of als deelnemende jongere die een buddy krijgt toegewezen. Dit kunnen
dezelfde jongeren zijn als uit de focusgroepen, of uit de bredere achterban van de patiëntenorganisatie, aangevuld met jongeren die bijvoorbeeld via zorgverleners worden geworven.

Meedoen als projectpartner? Wat levert dat op?

Vanwege het ziekte-overstijgende karakter van het project zijn patiëntenorganisaties van harte welkom om zich bij het peer-buddy project aan te sluiten. De deelnemende projectpartners helpen onder andere mee in de werving van jongeren voor de focusgroepen en voor de peer-buddy’s. Bijvoorbeeld door oproepjes en uitnodigingen bij de desbetreffende achterban te verspreiden. Wij maken de oproep en de patiëntenvereniging brengt dit via de mail/post/sociale media onder de aandacht.

Per projectpartner is er een vacatiebedrag beschikbaar van €400, inclusief reiskosten, voor de gehele
projectduur. Jongeren die deelnemen aan de focusgroepen krijgen een reiskostenvergoeding en een
attentie. Ook de peer-buddy’s krijgen een onkostenvergoeding.

Het contact vindt zo veel mogelijk digitaal en telefonisch plaats. Elk kwartaal ontvangen de
projectpartners een voortgangsrapportage of nieuwsbrief. Per projectjaar vindt er een (en in 2016
twee) projectpartners-bijeenkomst(en) plaats met de penvoerder. Het project loop van Q3 2015 t/m
Q2 2017.

Borging peer-buddy’s

Aan het einde van het project zal de training worden geborgd zodat zoveel mogelijk jongeren met een chronische aandoening een beroep kunnen doen op een peer-buddy tijdens de transitiefase van de kindzorg naar de volwassenenzorg. Het grote netwerk van K&Z in de kindzorg wordt ingezet bij de
borging. Na einde van het project zal K&Z de peer-buddy’s blijvend onder de aandacht brengen en
stimuleren via het Smiley kwaliteitskeurmerk.

Meer weten? Kom naar de informatiebijeenkomst bij Stichting Kind & Ziekenhuis in Utrecht op dinsdagochtend 8 september van 10.30 tot 12.30 uur! Meld u aan via: vplatteel@ondersteuningsburo.nl