Wat vindt u als ouder belangrijk waar zorgprofessionals in het ziekenhuis naar kijken als uw kind plotseling zieker wordt?

Oproep

Beste ouder,

Als uw kind opgenomen is in het ziekenhuis en plotseling zieker wordt, checkt de zorgprofessional wat er aan de hand is. De zorgprofessional kijkt bijvoorbeeld naar: de ademhaling, bloeddruk, temperatuur en alertheid.

Het is nu zo dat dit in verschillende ziekenhuizen op andere manieren plaatsvindt. Sommige ziekenhuizen gebruiken de ene set metingen en andere ziekenhuizen gebruiken een andere set metingen. Met een set metingen bepalen (kinder)artsen en (kinder)verpleegkundigen of een kind tijdens een ziekenhuisopname plotseling zieker wordt. Zo’n set metingen wordt een vroegtijdig signaleringssysteem genoemd.

Hoe ziet volgens u een ideale set metingen eruit?

Uit onderzoek blijkt dat (kinder)verpleegkundigen en (kinder)artsen liever gebruik maken van één set metingen voor alle ziekenhuizen in Nederland. Daarom ontwikkelen de Nederlandse Vereniging van Kinderartsen, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland, Stichting Kind en Ziekenhuis en het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel) een ideale set metingen, geschikt voor alle Nederlandse ziekenhuizen. Hiervoor hebben wij ook uw ervaring als ouder nodig.

Geef uw mening over de ideale set metingen tijdens de focusgroep voor ouders op donderdagavond 6 september:

Datum: 6 september 2018, 19.00-21.00 uur
Locatie: Stichting Kind en Ziekenhuis, Churchilllaan 11, 8e etage, 3527 GV, Utrecht
Aanmelden E: info@kindenziekenhuis.nl
Vergoeding: reiskosten & VVV bon

Wij kijken uit naar uw komst!

Meer informatie over de focusgroep?

Neem contact op met Eva Schmidt-Cnossen, senior projectmanager, Stichting Kind en Ziekenhuis, T: 085 – 020 12 65.

Meer informatie over het project?

Neem contact op met:

  1. Joris Fuijkschot, MD, PhD, MSc, kinderarts, Radboud Universitair Medisch Centrum, Amalia kinderziekenhuis, NVK voorzitter werkgroep patiëntveiligheid, E: Joris.Fuijkschot@radboudumc.nl en Erica de Loos BN, MSc, FISQua, Change Agent, adviseur kwaliteit en innovatie, Nivel, E: E.deloos@nivel.nl.

J.F. De Groot J, N. Damen, E. De Loos, L. van de Steeg, L. Koopmans, P. Rosias, M. Bruijn, J. Goorhuis, C. Wagner. Implementing paediatric early warning scores systems in the Netherlands: future implications. BMC pediatrics. 18:128 https://doi.org/10.1186/s12887-018-1099-6

Van Sambeeck SJ, Vos GD, Theeuwes BAM, van der Starre C, Fuijkschot J. De Pediatric Early Warning Score (PEWS) en veilige(re) zorg in Nederland. Praktische Pediatrie. 2016;1(1):10-4.

3 goede vragen – Kinderen

3 goede vragen voor kinderen

Dit voel ik, wat is het?

Er zijn nu ‘3 goede vragen’ voor kinderen, in navolging van de 3 goede vragen waarmee volwassen patiënten zich kunnen voorbereiden op gesprekken met zorgprofessionals. De vragen zijn concreet en gericht op het heden: Dit voel ik, wat is het? Wat kunnen we er allemaal aan doen? en Wat betekent dat voor mij nu en later? Vanaf 10 januari 2018 worden de ‘3 goede vragen voor kinderen’ door Patiëntenfederatie Nederland onder de aandacht gebracht van ziekenhuizen en zorgprofessionals.

Kinderen en jongeren willen graag samen met hun dokter beslissen over hun behandeling, maar hebben in de praktijk vaak te weinig informatie over behandelopties en de consequenties daarvan. Daarom heeft Stichting Kind en Ziekenhuis het initiatief genomen om de campagne 3 Goede vragen van Patiëntenfederatie Nederland uit te breiden met vragen die aansluiten bij wat kinderen belangrijk vinden om te weten.

“We zagen dat de campagne voor volwassenen een succes is en dachten: dat willen wij ook voor kinderen”, zegt Eva Schmidt-Cnossen, projectmanager bij Kind & Ziekenhuis. “Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat kinderen en jongeren willen meebeslissen over onderzoeken en behandelingen, en wettelijk hebben ze vanaf 12 jaar daartoe ook het recht. We wilden onderzoeken welke vragen geschikt zijn voor kinderen en we wilden kinderen en ouders ervan bewust maken dat ze het recht hebben om samen met de zorgprofessional te beslissen over behandelingen. Vaak zijn ze daar niet goed van op de hoogte.”

Jongen 12 jaar: ‘Ik kom hier zo vaak, ik weet wel wat ik moet zeggen.’ Weet je ook wat je moet vragen? ‘Nee.’

Eind 2016 is Kind & Ziekenhuis begonnen met het project, samen met de Patiëntenfederatie Nederland, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en vier ziekenhuizen: Rijnstate Arnhem, Academisch Medisch Centrum Amsterdam, Bernhoven Uden en het Ommelander Ziekenhuis Groningen. “We zijn gestart met focusgroepen in elk ziekenhuis”, vertelt Schmidt-Cnossen. “Wat we onder andere aan iedereen gevraagd hebben is om een lijstje met volgens hen belangrijkste vragen te maken en de bestaande 3 goede vragen aan kinderen en ouders voorgelegd.”

Uit alle bijeenkomsten samen is een lijstje met drie vragen gekomen. Inhoudelijk zijn ze ongeveer hetzelfde als de vragen voor volwassenen, maar veel directer geformuleerd. Schmidt-Cnossen: “Uit de focusgroepen kwam naar voren dat kinderen uit zichzelf niet beseffen dat ze überhaupt vragen mogen stellen, dat was een nieuwe gedachte voor ze. Ze vinden ook andere vragen belangrijk dan ouders. Kinderen zijn geïnteresseerd in de gevolgen van een behandeling op korte termijn. Ze willen weten of ze nog kunnen hockeyen of voetballen. Ouders hebben vooral oog voor de gevolgen op lange termijn. Alleen al daarom is het belangrijk dat kinderen worden gestimuleerd om echt hun eigen vragen te stellen.”

In alle deelnemende ziekenhuizen is een nulmeting uitgevoerd en daarna een pilot gedaan. Schmidt-Cnossen: “De nulmeting bestond uit een vragenlijst die door 169 kinderen is ingevuld. Daaruit bleek dat de meeste kinderen zich bijna niet op de afspraak hadden voorbereid, of dat ze dat tijdens de rit naar het ziekenhuis hadden gedaan. In het algemeen bleek dat ze tevreden waren over het gesprek met de arts, maar dat de dokter bijna nooit meerdere opties met ze doornam. De arts koos voor één optie en vroeg dan aan kind en ouders of ze het ermee eens waren, zonder alternatieven te noemen.”

Tijdens de pilot kregen alle kinderen die een afspraak hadden op de poliklinieken van de deelnemende ziekenhuizen van te voren een folder met de voorlopige versie van de 3 goede vragen thuisgestuurd. In de wacht- en spreekkamers van het ziekenhuis lagen ook folders en hingen posters met de vragen. Na afloop van het consult vulden 114 kinderen dezelfde vragenlijst in als tijdens de nulmeting, met een aanvulling over de 3 goede vragen. Schmidt-Cnossen: “Niet alle kinderen bleken over de vragen gehoord of gelezen te hebben en geen enkel kind had de folder gezien. Ouders hadden de folder wel ontvangen, maar vervolgens weggegooid. De kinderen waardeerden de gesprekken met hun arts wel hoger dan tijdens de nulmeting, waarschijnlijk omdat de zorgprofessionals zich vanwege de pilot beter hadden voorbereid op het ‘Samen Beslissen’. De kinderen voelden zich beter gehoord.”

De kinderen bleken de drie vragen hoog te waarderen. Schmidt-Cnossen: “Ze vonden ze vooral geschikt als ze voor het eerst zouden komen of als er iets in hun situatie verandert, en ze zeiden dat het alleen werkt als de dokter de vragen actief onder de aandacht brengt. Ze stellen het op prijs om kort van tevoren en bij binnenkomst in het ziekenhuis aan de vragen herinnerd te worden, bijvoorbeeld via een berichtje of door een baliemedewerker. Berichten via algemene sociale media worden niet gewaardeerd omdat kinderen buiten het ziekenhuis liever niet aan hun ziek-zijn herinnerd worden.”

Na de pilot is een van de drie vragen iets aangepast en zijn de getekende figuurtjes op de folder en poster wat ouder gemaakt en een stuk stoerder. Er is een animatiefilmpje van zestig seconden gemaakt en vanaf 8 januari 2018 zijn de 3 goede vragen voor kinderen opgenomen in het voorlichtingsmateriaal dat Patiëntenfederatie Nederland naar ziekenhuizen stuurt en zijn ze te vinden op http://3goedevragen.nl/kinderen.

De partijen die hebben deelgenomen aan het project voor 3 goede vragen voor kinderen zijn: Rijnstate Arnhem, Academisch Medisch Centrum Amsterdam, Bernhoven Uden, Ommelander Ziekenhuis Groningen, Patiëntenfederatie Nederland, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en Stichting Kind en Ziekenhuis (projectleiding).

Beslist u voor of met ouders?

Op papier werken alle ziekenhuizen, kinderartsen en kinderverpleegkundigen inmiddels kind- en gezinsgericht. Op papier. Want wie kan écht zeggen dat hij de ouders van patiëntjes als een gelijkwaardige zorgpartner ziet? Dat ze meebeslissen over de behandelingen? Dat broertjes en zusjes zijn ingebed in het protocol? En dat er rekening gehouden wordt met de uitvoering van de zorg na het ziekenhuis?

De gezinsgerichte zorg is inmiddels geland in de medische wereld. Bijna alle kinderartsen, neonatologen, kinderverpleegkundigen en andere zorgverleners vinden dat een kind recht heeft op een stimulerende omgeving waarin het kan spelen, leren en ontspannen, zich veilig voelt en zich zo normaal mogelijk kan gedragen, ondanks de vreemde situatie waarin het zich bevindt. Ook is er steeds meer aandacht voor broertjes en zusjes en wordt het zorgproces steeds meer aangepast aan het kind in plaats van andersom. Allemaal prachtige ontwikkelingen. Maar we zijn er nog niet.

Voorlopers

Dat bewijzen de ziekenhuizen die een plek durven te nemen in de voorhoede. Ziekenhuisdirecties en individuele artsen die ouders en kinderen steeds meer de regie durven te geven, staan versteld van het effect. Zoals in het Emma Kinderziekenhuis, waar ouders sinds kort verpleegkundige handelingen mogen verrichten bij hun kind en hier ook gecertificeerde trainingen in kunnen volgen. Omdat ze die handelingen immers thuis ook moeten uitvoeren bij hun kind.

Of neem het Amalia kinderziekenhuis Radboudumc, waar de eerstelijns zorgverleners en de gemeente dusdanig samenwerken, dat het kind zo snel mogelijk in de eigen omgeving kan verblijven, mét de juiste medische zorg. Dat lukt doordat bijvoorbeeld de kennis van de medische kinderpsychologen van het ziekenhuis rechtstreeks wordt overgedragen naar de eerstelijns kinderpsychologen en gemeenten.  Het kind staat werkelijk centraal.

Laat ouders beslissen

Uit de voorbeelden van deze voorlopers blijkt dat de kwaliteit van zorg verbetert en dat de tevredenheid van patiënten en diens familie stijgt, naarmate ze meer de regie in handen hebben (Coyne en Harder (2011)). Op zich niet verwonderlijk. Elk commercieel bedrijf weet dat het goed is voor de verkoopcijfers als de klant centraal staat en het gevoel heeft de regie te dragen. Dat dit nu ook in de zorg wordt doorgevoerd is een logische, want burgers accepteren het anno 2017 niet meer dat er voor hen besloten wordt.

Want waarom zouden ouders niet bij een multidisciplinair overleg kunnen zijn? Als ouders door de professionals van goede, objectieve informatie worden voorzien en er scenario’s voor hen worden geschetst, ook wat niet behandelen inhoudt, kunnen zij hun stem laten horen. Ze voelen zich gesterkt, betrokken en medeverantwoordelijk voor een correcte uitvoering van het behandelplan, ook als de patiënt weer thuis is en het genezingsproces nog loopt. Toekomstmuziek? Wat ons betreft niet.

Family Integrated Care

Dit vraagt aanpassingsvermogen van zorgverleners. En lef. Want het verandert hun rol; van hoofdbeslisser naar adviseur en behandelaar. Door het kind en de ouders actief te betrekken bij de zorg en ze als gelijkwaardige partners te laten meebeslissen over de behandeling, geef je het kind en het gezin écht de regie.

Gelukkig zien wij een enorme wil en bereidheid bij zorgverleners om het gezin centraal te stellen, zowel in het ziekenhuis als daarbuiten. Door nu samen een volgende stap te zetten, kunnen we van family centered care naar famiy integrated care. Hoe? Door samen het gesprek aan te gaan, hardop te fantaseren, in breakoutsessies te experimenteren en van elkaar te leren. Alleen zo komen we verder en werken we aan kindzorg zonder muren.

Hester Rippen, directeur van Stichting Kind en Ziekenhuis (rechts) en Renate Westerlaken-Loos, directeur bestuurder van het Ronald McDonald Kinderfonds

Beslist u voor of met ouders

 

 

 

 

Heb jij je al ingeschreven voor ons congres?

Op maandag 20 november, internationale dag van de rechte van het kind, gaan wij tijdens ons gezamenlijke congres verder in op het belang van kind en gezin centraal. Heb jij je al ingeschreven?

www.kindzorgzondermuren.nl

Kind en Gezinsgerichte zorg zonder muren

 

Keuzehulpen voor veel voorkomende ingrepen bij kinderen

Voor de twee meest voorkomende ingrepen bij kinderen in Nederland zijn consultkaarten ontwikkeld. Het gaat om het plaatsen van een buisje in het trommelvlies bij vocht in het middenoor en het verwijderen van de keelamandelen bij kinderen onder de 16 jaar. Deze consultkaarten zijn keuzehulpen die ouders en hun kind helpen om samen met de KNO-arts een afgewogen beslissing te nemen over een behandeling.

De consultkaarten zijn ontwikkeld in een samenwerking van de Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied, Stichting Kind en Ziekenhuis en het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten. Op de consultkaarten over het plaatsen van trommelvliesbuisjes bij vocht in het middenoor en het verwijderen van keelamandelen staan per optie onder meer het resultaat dat met de behandeling kan worden bereikt en de mogelijke risico’s en bijwerkingen. Niet behandelen kan in sommige gevallen ook een optie zijn.

Context meewegen

Arts en patiënt hebben elkaar nodig om de juiste beslissingen over de behandeling te nemen. De arts heeft de medische kennis, weet welke behandelopties er mogelijk zijn en wat de verschillende mogelijke bijwerkingen en risico’s kunnen zijn. De patiënt, en de ouders of verzorgers van deze kinderen, kunnen uitleggen wat voor klachten er zijn, hoe deze het dagelijks functioneren van hun kind beïnvloeden en wat een mogelijke behandeling, of geen behandeling, voor persoonlijke gevolgen zou kunnen hebben. Bijvoorbeeld bij kinderen bij wie de plaatsing van trommelvliesbuisjes wordt overwogen. Als deze kinderen regelmatig zwemmen kunnen buisjes leiden tot oorontstekingen. Het is dus van belang om de persoonlijke context van de patiënt mee te wegen in de uiteindelijke beslissing over de behandeling.

Geen vervanging

De consultkaart vervangt niet de expertise van de arts of de noodzakelijke dialoog tussen patiënt en arts. De consultkaarten zijn expliciet bedoeld als hulpmiddel voor het gesprek tussen arts en patiënt om samen beslissen in het zorgproces te bevorderen. Patiënt en/of ouders van de patiënt kunnen de consultkaart bovendien mee naar huis nemen om alle opties na het consult nog eens rustig door te nemen.

Consultkaarten

Consultkaart© is een initiatief van de Federatie Medisch Specialisten en Patiëntenfederatie Nederland. Consultkaarten worden ontwikkeld door de betrokken wetenschappelijke vereniging en patiëntenorganisatie. De ontwikkeling kent een vaste procedure en criteria. Naast de hiervoor genoemde consultkaarten, zijn er consultkaarten ontwikkeld op gebieden zoals trombose, artrose in de knie, blijvende schade aan de nieren. Alle gepubliceerde consultkaarten zijn te vinden op www.consultkaart.nl.

Bekijk hier de consultkaart Vocht in het middenoor bij kinderen (pdf)

Bekijk hier de consultkaart Regelmatig ontstoken keelamandelen bij kinderen (pdf)

 

 

Voortaan dezelfde begeleiding bij borstvoeding en flesvoeding

Borst- en flesgevoede baby’s verdienen dezelfde goede start. De vuistregels en stappen hiertoe zijn door WHO-UNICEF verwerkt in vijf standaarden, zo meldt Vroeg, Kennisplatform Jonge Kind. Deze vormen vanaf 1 juli 2017 de criteria voor de nieuwe certificering. Dit betekent dat vanaf deze datum alle baby’s dezelfde zorg krijgen. Voor de stichting Zorg voor Borstvoeding reden om haar naam te wijzigen in Baby Friendly Nederland.

Sinds 1996 voert stichting Zorg voor Borstvoeding het WHO-UNICEF programma Baby Friendly Hospital Initiative uit. Voor de JGZ is dit vertaald als de ‘zeven stappen voor de JGZ’. Het onderzoek werd tot nu toe uitgevoerd door op CB-locaties ouders en medewerkers te interviewen, naast een gesprek met de staf en het vooraf bestuderen van beleidsstukken en scholingsplan. Vanaf 1 juli toetst Baby Friendly Nederland volgens de Vijf Standaarden. Organisaties krijgen een online klantomgeving om zelf documenten te uploaden en de status van het onderzoek te bekijken.

Procedure vanaf 1 juli

Vanaf 1 juli toetst Baby Friendly Nederland volgens de Vijf Standaarden. Dit houdt in dat álle ouders informatie en begeleiding krijgen bij de natuurlijke behoeften van hun kind met betrekking tot responsiviteit en nabijheid, voedingsfrequentie en –hoeveelheden. Ouders die voeding per fles geven, moeten instructie krijgen over hóe de fles moet worden geven en hoeveel voeding fysiologisch gezien bij de baby past.

Online klantomgeving

Per 1 juli krijgen organisaties beschikking over een online klantomgeving om zelf documenten te uploaden en de status van het onderzoek te bekijken. Ouders worden via een digitale vragenlijst gevraagd hun ervaringen over de zorg te delen. Deze gevalideerde vragenlijst is gebaseerd op het internationale onderzoek en aangepast aan de Nederlandse situatie.  De vernieuwde website www.Babyfriendlynederland.nl gaat per 1 juli live.

De Vijf Standaarden Baby Friendly Nederland

Standaard 1: beleid, scholing, prenatale voorlichting en ketenzorg
In het beleid van organisaties voor geboortezorg en jeugdgezondheidszorg staat dat extra aandacht wordt gegeven aan voeding voor de baby in de eerste twee jaar.
Medewerkers moeten zijn geschoold zodat zij ouders goed kunnen begeleiden bij de bevalling en voeding. Alle ouders krijgen van de organisatie informatie over de bevalling en voeding voor hun kind. Met deze kennis kunnen ouders kiezen hoe zij willen bevallen en hun kind willen voeden. Organisaties zorgen voor goede overdracht en verwijzen naar moeder- of babygroepen.

Standaard 2: goede start
Alle moeders krijgen hun baby direct na de geboorte bloot op hun huid. Dit huidcontact duurt minimaal een uur

Standaard 3: informatie en praktijk van het voeden
Alle ouders krijgen uitleg over wat hun baby nodig heeft. Hieronder valt bijvoorbeeld voeden op verzoek en het dichtbij houden van de baby. Ook krijgen ouders informatie over en de normale groei en ontwikkeling van hun kind.

Standaard 4: bijvoeding en voeding voor het oudere kind
Ouders kunnen geïnformeerde beslissingen nemen over het starten van voeding anders dan borstvoeding en kunstvoeding.

Standaard 5: hechting en zeggenschap
Ouders worden gesteund in het ontwikkelen van een hechte band met hun kind en het nemen van geïnformeerde beslissingen over de verzorging en behandeling van hun kind.

Derde editie Congres Vroegsignalering bij baby’s
Op 15 november vindt de derde editie plaats van het Congres Vroegsignalering bij baby’s. Het jaarlijks congres staat dit keer in het teken van vroeggeboorte: wat betekent dit voor de ontwikkeling van een kind, nu en later in het leven? En wat zijn aandachtspunten voor professionals? Lees verder >

Bron: Vroeg

 

Ondertitelen

Spotprenten stellen de zaken vaak ongezouten voor. Laatst zag ik er een met als titel ‘Patient Centered Care’: tussen twee zorgverleners in, lag een patiënt die ondanks zijn ogenschijnlijk gecentraliseerde positie toch nogal radeloos voor zich uit staarde. De twee professionals om hem heen keken immers elk hun eigen kant uit en vooral weg van de patiënt… Zou het waar zijn dat het lastig dribbelen is omheen dat nieuwe ‘patient-centeren’? Patient Centered Care is nochtans ‘hot topic’ tegenwoordig. Wanneer het om kinderen gaat, wordt de slogan zelfs nog ambitieuzer: ‘Family Centered Care’. Op de kaften van menig goedbedoelde visie- of strategietekst vind je deze begrippen vaak als het wapperend vaandel waarachter zorgorganisaties zich met graagte scharen. Maar hoe vol of hoe leeg is deze doos in de werkelijkheid? Begrijpen we eigenlijk wel wat er echt wordt bedoeld met dat ‘centraal stellen’ van de patiënt?

Voor Family Centered Care liggen de basisprincipes vast in goed onderbouwde modellen die draaien rond ‘partnership’ en ‘gedeelde expertise’ tussen professionals en de ouders/verzorgers van het kind. Zeg maar: de professional als de medisch expert voor de kinderziekte, de ouder als de zorgexpert voor het zieke kind. Beide expertises samen garanderen de beste zorg, leert het onderzoek. De vertaling naar de praktijk blijkt evenwel soms moeizaam. Het valt niet mee om het zieke kind en zijn/haar gezin mee te laten beslissen bij het maken van behandelkeuzes of om zorgvuldig te peilen naar hun meningen en ideeën. We zijn nu eenmaal opgeleid om in de strijd tegen al die moeilijke ziektes, gewapend met gepast jargon en inzicht, de leiding en regie stevig in handen te nemen en die niet zomaar te lossen. Met de beste bedoelingen denken we doorgaans dat het evident is dat wij weten wat het beste is. Die ziekte is immers van ons en die pakken we aan op onze manier. Al bij al toch wel een sterk paternalistische toets… en niet meer helemaal van deze tijd.

We zijn nu eenmaal opgeleid om in de strijd tegen al die moeilijke ziektes, gewapend met gepast jargon en inzicht, de leiding en regie stevig in handen te nemen en die niet zomaar te lossen.

Betekent Family Centered Care dan dat we als artsen de regie moeten loslaten en op eender welke gril moeten ingaan? Natuurlijk niet! Recent nog schreven Belgische artsen hun overmatig voorschrijven van antibiotica aan kinderen toe aan het feit dat ouders daar nu eenmaal om vragen. Een absurd argument, want niets in family-centered care gebiedt dat de professional moet afwijken van professionele standaarden en goede geneeskunde.

Hoe moet het dan wel? Een ervaren moeder van een verstandelijk beperkte veertienjarige jongen had alvast het volgende bedacht: “Ik heb geleerd dat mijn rol het ondertitelen is van de belangen van mijn kind. Als een arts een behandeling voorstelt vertaal ik dat onmiddellijk in woorden die mijn zoon en ik begrijpen. Dat ondertitelen gaat ook in de andere richting. Ik wil immers dat de arts precies begrijpt hoe mijn zoon denkt en voelt over wat hem overkomt en dat hij bij elke stap rekening houdt met zijn wensen. Op die manier stuur ik de processen zodat ze gebeuren zoals ik ze met mijn zoon heb voorbereid en op het tempo dat bij hem past. En met de juiste begeleidende woorden waarvan ik weet dat ze hem niet zullen beangstigen. Aldus help ik de dokter. Door de jaren heen ben ik steeds kundiger geworden in het ondertitelen van mijn zoon. Hierdoor regisseer ik mee hoe de dingen gebeuren. En wie mijn zoons ondertitelde woorden niet wil lezen of zich niet wil laten ondertitelen, die blijft – als het even kan – gewoon van mijn zoon af…”

Misschien moet het leren lezen en schrijven van de juiste ondertitels wel de eerste lesmodule zijn als we ons verder in de Family Centered Care willen bekwamen. En eenmaal die vaardigheid onder de knie, dan hebben we de juiste taal te pakken om aan de huidige zorgmanagementbijbels een nieuw hoofdstuk toe te voegen. Dat van ‘human excellence’.

Piet Leroy, kinderarts en kinderintensivist

Laat zwangere zelf de zorgverlener kiezen

Zwangere vrouwen moeten zelf kunnen beslissen door wie ze de zwangerschap laten begeleiden en waar. Het moet niet zo zijn dat ze automatisch aan een ziekenhuis of gynaecoloog vastzitten als ze kiezen voor een bepaalde verloskundige. De keuze moet te allen tijde aan de vrouw zelf zijn, ook als ze tijdens de zwangerschap van begeleiding wil wisselen.

DikkeBuikPatiëntenfederatie NPCF is het daarmee van harte eens. “Voorop moet staan dat zwangere vrouwen zelf kunnen kiezen wie ze aan hun bed willen hebben”, zegt, directeur Dianda Veldman. “Wij denken op dit moment mee hoe dat gestalte kan krijgen. Maar voor ons staat buiten kijf dat de vrouw beslist en dat het geld nooit leidend mag zijn in de geboortezorg.”

Alle zorg uit één potje

De minister wil een systeem waarbij de geboortezorg in één tarief in de zorgverzekering wordt opgenomen. Uit dat vaste tarief moeten alle kosten worden betaald die met de zwangerschap en geboorte samenhangen. Stichting Kind en Ziekenhuis en de Patiëntenfederatie NPCF steunen dat idee, maar vindt wel dat de keuzevrijheid van vrouwen niet in het geding mag komen. Dianda Veldman: “Wij denken dat een vast tarief de samenwerking tussen de verschillende zorgverleners ondersteunt en stimuleert. Dat verhoogt de kwaliteit van zorg.”

Het geld mag in die keuze daarin ook geen belemmering zijn.

“Laat het zorggeld gaan waar de zwangere heen wil.”

Dat schrijven Stichting Kind en Ziekenhuis, Patiëntenfederatie NPCF, het Proefprocessenfonds Clara Wichmann en andere organisaties aan de Tweede Kamer. Die praat volgende week over geboortezorg en de financiering daarvan.

Kijk hier voor de brief aan de Tweede Kamer (pdf) >>

Meer info:
> Zie ook Impasse rond geboortezorg is slecht voor zwangere vrouwen

> Bekijk hier de rapportage Cliëntperspectief kwaliteit integrale geboortezorg

Stichting Kind en Ziekenhuis, NVK en AMC/EKZ  ontwikkelen patiëntkaart Reflux

Niet voor alle patiënten met een rughernia is een operatie de beste oplossing. Maar wanneer is het goed om te opereren en wanneer is het juist beter om te wachten? Om op dat soort vragen een helder antwoord te formuleren heeft de Federatie van Medisch Specialisten (FMS) in 2014 de campagne ‘Verstandig Kiezen‘ opgezet. Patiëntenfederatie NPCF is één van de organisaties die in deze campagne participeren.

Antirefluxmedicatie

Een ander voorbeeld is het al dan niet nemen van antirefluxmedicatie. De afgelopen jaren is het gebruik van antirefluxmedicatie bij kinderen fors gestegen. Bij kinderen van 0–18 maanden werd er in 2013 zeven keer zoveel voorgeschreven als in 2008, bij kinderen van 19 maanden–18 jaar werd er in 2013 anderhalf maal zoveel voorgeschreven als in 2008.

Het verschijnen van de NVK-richtlijn Gastro-oesofageale reflux(ziekte) bij kinderen van 0 – 18 jaar, waarin wordt aangeraden terughoudend te zijn met antirefluxmedicatie, lijkt geen invloed te hebben gehad op het voorschrijfgedrag van artsen. Het is daarom van groot belang dat de Verstandige Keuzes bij reflux(ziekte) bij kinderen van 0–18 jaar, gebaseerd op deze richtlijn, actief worden geïmplementeerd als onderdeel van deze campagne.

Uit een enquête onder ruim 300 artsen (kinderartsen, huisartsen, jeugdartsen) bleek dat er grote behoefte bestaat aan informatie voor ouders van kinderen met reflux(ziekte). Tevens blijkt uit een enquête onder 60 ouders dat er grote behoefte is aan meer informatie van de arts. Om de Verstandige Keuzes bij reflux(ziekte) bij kinderen van 0–18 jaar in de praktijk te implementeren zijn er inmiddels diverse tools ontwikkeld voor artsen en (ouders van) patiënten op basis van de resultaten van bovengenoemde enquêtes.

Het ontwikkelen van een patiëntkaart in samenwerking met Stichting Kind en Ziekenhuis, Nederlandse Vereniging van Kindergeneeskunde (NVK) en het AMC/EKZ is een van de keuze-ondersteunende middelen die in het kader van de campagne ontwikkeld is. Hiermee worden ouders van patiënten ondersteund bij hun gesprek met de arts. De patiëntkaart kan worden opgehangen in de wachtkamer op het consultatiebureau, in de huisartsenpraktijk en op de polikliniek Kindergeneeskunde. Aangezien er al diverse patiëntkaarten ontwikkeld zijn (zoals bijvoorbeeld voor een lage rughernia – een ander thema binnen de campagne Verstandig Kiezen) verwachten wij dat dit een herkenbaar hulpmiddel zal zijn.

Doel van de patiëntkaart

Het is van belang om onnodig gebruik van zorg terug te dringen, aangezien dit schadelijk is voor de patiënt en daarnaast leidt tot een stijging van de zorgkosten. Het doel van de patiëntkaart is om het juiste gebruik van zorg te bevorderen door goede informatievoorziening aan ouders van patiënten met (in dit geval) gastro-oesofageale reflux(ziekte).

De patiëntkaart is te downloaden via deze link!

KIDZ-programma

De kaart is ontwikkeld binnen het KIDZ-programma. KIDZ staat voor Kwaliteit, Inzicht en Doelmatigheid in de medisch specialistische Zorg. Het KIDZ-programma wil een antwoord bieden op de vraag: Hoe krijgen patiënten meer invloed op de kwaliteit van zorg? Onder deze noemer ontwikkelen verschillende patiëntenorganisaties samen met Patiëntenfederatie NPCF producten. Dit zijn producten waarmee de kwaliteit van de medisch specialistische zorg beïnvloed en gemeten kan worden. Het uitgangspunt van KIDZ is altijd het perspectief van de patiënt.

Meer informatie over het KIDZ programma? Klik hier!

Wij, de ouders en het behandelteam

Het is de nachtmerrie van iedere ouder: je kind is er zo slecht aan toe dat beslissen over leven of dood onontkoombaar wordt. Wel of niet behandelen, doorgaan of stoppen? Orthopedagoog Mirjam de Vos, ethisch consulent bij het AMC, onderzocht hoe dat in de praktijk gaat. Beslissen in de grijze zone.

Het begon met Tom, zoals Mirjam de Vos hem noemt. Een jongen van zestien jaar met de verstandelijke vermogens van een klein kind, ernstige epilepsie en ademhalingsproblemen. ”Op zeker ogenblik belandden de ouders met Tom, op dat moment buiten bewustzijn door een ernstige epileptische aanval, op de spoedeisende hulp. De dienstdoende kinderarts overlegde met de kinderartsintensivist. Die meende dat een nieuwe opname op de IC niet meer in het belang van Tom was, ook niet als de aanval zou voortduren en zijn situatie levensbedreigend zou worden. Hij vreesde dat een nieuwe periode van beademing Tom te zwaar zou belasten en dat het hem uiteindelijk meer kwaad dan goed zou doen.” De ouders voelden zich overvallen door dit besluit. Ook toen Tom een uur later bij bewustzijn kwam en zij hem mee naar huis mochten nemen, bleven zij zitten met een cruciale vraag – die ze later aan De Vos voorlegden: ”We hadden al zoveel meegemaakt met Tom, zoveel ingewikkelde beslissingen moeten nemen. En toch konden wij, toen het erop aankwam, niet meepraten over zoiets wezenlijks als het al dan niet afzien van een nieuwe IC-opname”.

De Vos arrangeerde op verzoek van de ouders een gesprek met het hoofd van de kinder-IC. ”De kwestie werd uitgebreid besproken, en op dat moment realiseerden we ons dat er nogal wat onduidelijkheid bestaat over hoe en wanneer met ouders moet worden overlegd in situaties als deze. Er is wel onderzoek gedaan naar einde-van-leven-beslissingen zoals het staken of niet meer starten van een levensverlengende behandeling bij kinderen. Maar het perspectief van de ouders ontbreekt daarin nogal eens. Daarmee bedoel ik niet alleen: wat zijn hun ervaringen, maar vooral: hoeveel zeggenschap hebben zij over deze beslissingen in de dagelijkse praktijk? Wat gebeurt er precies als ouders en artsen om de tafel zitten om daarover te praten?”

Artsen nemen ouders in bescherming tegen twijfel en schuldgevoel

Vooral die laatste vraag vormt een cruciaal onderdeel van het proefschrift Sharing the burden of deciding – How physicians and parents make end-of-life decisions dat De Vos op 6 maart 2015 verdedigde. Vrijwel overal ter wereld overleggen artsen met ouders over beslissingen rond het levenseinde van hun kind. Maar wie beslist uiteindelijk? De Franse richtlijn schrijft voor ouders niet te belasten met het gevoel verantwoordelijk te zijn voor de dood van hun kind; artsen hebben daarom de doorslaggevende stem. In de VS en Canada zijn het de ouders die de knoop doorhakken. In Nederland beslissen artsen en ouders in principe samen.

In de praktijk blijkt dat de ruimte die ouders krijgen om mee te beslissen vaak afhankelijk is van de individuele arts en het ziekenhuis waar die werkt. ”Ouders worden altijd uitgebreid geïnformeerd. Maar daarna kan het verschillende kanten op. Vaak neemt het team van behandelende artsen de beslissing en legt die vervolgens aan de ouders voor. Dat kan tamelijk dwingend overkomen. Daarbij wordt ouders lang niet altijd gevraagd of zij zich in deze beslissing kunnen vinden – bijvoorbeeld omdat het behandelteam wel denkt te weten hoe deze ouders erover denken. Dit gebeurt vooral bij kinderen met een acuut probleem. Bij kinderen met kanker bijvoorbeeld of een aangeboren aandoening hebben ouders meer invloed. Er is dan tijd om alle opties te bespreken en gezamenlijk te beslissen. Daarbij helpt de vertrouwensband die in de loop der tijd is ontstaan. Arts en ouders weten wat ze aan elkaar hebben.”

Grijze zone

Moeilijk voor ouders en artsen zijn gevallen waarin de overlevingskansen onduidelijk zijn. En als het kind overleeft, hoe ziet dat leven er dan uit? De grijze zone, zoals De Vos het noemt. Medische beslissingen worden zorgvuldig genomen, maar de communicatie kan eenduidiger, explicieter. ”Artsen hebben het over medisch zinloos handelen, geen kwaliteit van leven, kasplantje, ondraaglijk lijden. Wat bedoelen ze daar precies mee? Ik zat bij een gesprek met streng christelijke ouders. ”U wilt toch niet dat uw kind lijdt?”. ”Maar dokter,” antwoordden ze, ”lijden hoort bij het leven.” Vervolgens werd dat lijden concreet gemaakt. ”Uw kind zal steeds benauwder worden.” Dat bleken ze niet te willen.

Ouders hebben eerder meer dan minder schuldgevoel als ze onvoldoende hebben kunnen meebeslissen

Bij duidelijkheid hoort ook: niet afgaan op aannames en verwachtingen. ‘Deze ouders zijn islamitisch, dus ze zullen wel…’ Dé islamitische ouder bestaat niet, iedere ouder reageert anders, gevoed door eerdere ervaringen, door hoop, door vertrouwen in het behandelteam of het ontbreken daarvan.” Het belangrijkst is volgens De Vos dat ouders uiteindelijk de kans krijgen om echt mee te beslissen. ”Dat lukt beter in goed gestructureerde gesprekken. Zorg voor een kleine agenda vooraf: hier gaan we het over hebben. Artsen besteden veel tijd aan uitleggen wat er aan de hand is. Soms mondt dat uit in herhalen zonder na te gaan of ouders de uitleg hebben begrepen. Terwijl zo’n gesprek zich ervoor leent om ouders te vragen wat hen opvalt als ze naar hun kind kijken en wanneer zij vinden dat de behandeling hun kind te zwaar zal belasten.”

Paternalisme

De conclusie van De Vos is dat ouders zich in de meeste gevallen uiteindelijk kunnen vinden in de beslissing om af te zien van verdere behandeling, maar dat artsen in dat proces vaak meer sturen dan ze zelf beseffen. ”Veel artsen willen ouders in bescherming nemen tegen twijfel en schuldgevoel achteraf. Hoe goed bedoeld ook, dat is een vorm van paternalisme.” Die vaker negatief dan positief uitpakt. De Vos: ”Uit het onderzoek komt naar voren dat ouders eerder meer dan minder schuldgevoel ervaren als ze in hun eigen ogen onvoldoende hebben kunnen meebeslissen. Ze willen strijden voor hun kind en het tegelijkertijd beschermen. Dat doen ze het liefst in nauw overleg met de dokter. Eén van de magische woorden in dit opzicht is ‘wij’. Artsen gebruiken dat meestal in de betekenis van ‘wij, het medisch team’. Dat geeft verwarring. Ouders zien dat ‘wij’ namelijk als ‘jij, de dokter met alle medische kennis, en wij – die ons kind het langst en het best kennen’. Ze hebben weinig boodschap aan iets vaags als ‘het behandelteam’, maar willen vooral weten wat de arts van hun kind er zelf van vindt, als expert en als mens. En met die mens willen ze als gelijken overleggen.”

Andrea Hijmans, freelance journalist

 

Proefschrift Mirjam de Vos

Kunnen kinderen medische beslissingen nemen?

Bij kinderen wordt veel minder dan bij volwassenen onderzoek gedaan naar de werking van medicijnen. Daarbij speelt mee dat kinderen worden gezien als kwetsbaar en onvoldoende in staat om de extra belasting en risico’s van klinisch onderzoek te overzien. Maar de mate waarin kinderen wilsbekwaam zijn om te beslissen over meedoen aan medisch onderzoek is nooit goed onderzocht. Een standaard voor wilsbekwaamheid bij kinderen bestaat niet, en in de praktijk worden de wettelijk vastgelegde leeftijdsgrenzen meestal gevolgd. Deze leeftijdsgrenzen verschillen nogal tussen landen: soms mag een kind vanaf 12 jaar meebeslissen en ergens anders pas vanaf 18 jaar. Dit waren redenen om te onderzoeken hoe je wilsbekwaamheid bij kinderen kunt beoordelen, en om te testen welke leeftijdsgrenzen eigenlijk het beste kloppen bij wat kinderen kunnen.

Hoe is wilsbekwaamheid onderzocht

De MacArthur Competence Assessment Tools, de best onderzochte instrumenten voor wilsbekwaamheidsbeoordeling die voor volwassenen zijn gemaakt, zijn in het Nederlands vertaald en aangepast voor gebruik bij kinderen van 6 tot 18 jaar. Bij 161 patiënten die op allerlei kindergeneeskundige afdelingen kwamen en in het echt voor de keus stonden of ze mee wilden doen aan medisch wetenschappelijk onderzoek, werd wilsbekwaamheid onderzocht. Verder deden we een proefonderzoek bij een kleine groep kinderen die moesten beslissen over het doen van genetisch onderzoek naar een hartziekte, en vonden dat ook voor behandelbeslissingen zo’n instrument te gebruiken is.

Wat blijkt uit het onderzoek

De resultaten lieten zien dat wilsbekwaamheid bij kinderen goed kon worden vastgesteld met een instrument, en dat kinderen onder 9,6 jaar over het algemeen niet wilsbekwaam waren om te beslissen over onderzoeksdeelname en kinderen boven de 11,2 jaar wel. De belangrijkste factor die wilsbekwaamheid kon voorspellen was de leeftijd van het kind, met daarnaast een kleine invloed van de intelligentie. Andere factoren zoals geslacht, de invloed van sociale relaties, ervaring met ziekte, etniciteit en sociaaleconomische klasse, waren niet voorspellend. Ook bleek dat beslissingen die ingewikkelder of risicovoller waren, op dezelfde leeftijd konden worden genomen als eenvoudiger en minder risicovolle beslissingen. Opvallend was dat ouders hun kind eerder wilsbekwaam vonden dan artsen.

Gevolgen voor de praktijk

Deze uitkomsten kunnen helpen om meer recht te doen aan de vaardigheden van kinderen bij medische beslissingen. Het is nu mogelijk om een leeftijdsgrens vast te stellen die wetenschappelijk is onderbouwd, en die ligt bijna een jaar lager dan de huidige wettelijke grens van 12 jaar. Verder is het nu ook mogelijk om in situaties van twijfel over de wilsbekwaamheid van een kind om te beslissen over onderzoeksdeelname, dit per kind te bepalen door gebruik te maken van het instrument.

Andere belangrijke uitkomsten

In het onderzoek is verder gekeken naar de redenen van kinderen om niet mee te doen aan klinisch onderzoek. Vooral kinderen die jonger waren, die minder ervaring hadden met ziekte en die moesten beslissen over eenvoudiger en minder risicovol onderzoek deden niet mee. Het zou beter zijn om kinderen en ouders beter te informeren over het nut van medisch wetenschappelijk onderzoek voor de praktijk, en om bijvoorbeeld reis- en wachttijden te verminderen.

Irma Hein, kinderpsychiater en onderzoeker bij het AMC afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie, is op 17 april 2015 gepromoveerd op dit onderzoek. Het proefschrift Children’s competence to consent to medical treatment or research is te lezen via deze link.