Regie

Maandelijks op de nieuwsblog Kind & Zorg: een column van de Vakgroep Pedagogische Zorg in het Ziekenhuis Nederland over wat zij meemaken in de praktijk.

In ziekenhuizen moeten dingen, daar kunnen we niet onderuit, de manier waaróp het gebeurt, daar heeft een kind wél invloed op. Wanneer een kind geen grip meer heeft op de situatie, kan dat voor kinderen een onveilig gevoel geven. Zeker wanneer zij bepaalde handelingen in het ziekenhuis moeten ondergaan. Ze verliezen de regie over hun lijf, er ‘moet’ vanalles. Medisch pedagogisch zorgverleners begeleiden deze kinderen gericht op het vergroten van het vertrouwen van het kind. Er is oog voor het zoveel mogelijk zelf in de hand houden van de situatie. Dit is van directe invloed op de angstreacties van kinderen.

Fleur, een meisje van 8 jaar oud, is in het verleden door 3 man sterk in bedwang gehouden bij het bloedprikken. Dit was voor haar een traumatische ervaring. Toen Fleur hoorde dat er wederom bloed afgenomen moest worden, raakte ze direct in paniek. Ze werd bleek, begon hardop te herhalen dat ze het niet wilde, begon te huilen en kroop tegen haar moeder aan.

Samen met Fleur maakte ik een plan om te zorgen dat het bloedprikken haar wél zou lukken. We hadden één duidelijke afspraak, Fleur zou zélf bepalen wanneer ze klaar was voor deze ingreep (deze tijd konden we ook nemen aangezien de bloedafname geen spoed benodigde) . Alleen al deze duidelijke afspraak, maakte dat Fleur de regie had.

Voor kinderen zoals Fleur, die een onplezierige ingreep moet ondergaan, en waarbij alleen technieken van psychologische gedragsbeinvloeding tekortschieten, kan lachgassedatie worden ingezet. Hiermee zou Fleur een succeservaring op kunnen doen, zodat ze weer vertrouwen krijgt in zichzelf en het ziekenhuis, en zo haar angst kan verminderen.
Lachgassedatie is een volkomen veilige manier om kinderen te laten ontspannen en zich op zijn/haar gemak te laten voelen. Angst en spanning voor de behandeling zijn (sterk) verminderd of zelfs verdwenen.

Fleur heeft samen met haar moeder, elke week een bezoekje gebracht aan het ziekenhuis. Eerst om alleen kennis te maken, vervolgens om de ruimte te bekijken waarin de lachgassedatie plaats zou vinden. Vervolgens heeft Fleur op het bed gelegen, de keer daarop heeft ze mogen oefenen met het kapje waarmee ze de lachgas in zou ademen. De keer daarop heeft Fleur lachgassedatie gekregen, maar hebben we nog niet de ingreep uitgevoerd. We merkten dat Fleur steeds vertrouwder raakte met het ziekenhuis en de uit te voeren ingreep, maar vooral ook dat ze meer zelfvertrouwen kreeg doordat ze weer grip had op de situatie. Zo mocht Fleur bepalen, welk verhaal er werd voorgelezen wanneer zij de lachgassedatie kreeg, trots ging ze thuis op zoek naar een boek. Dat Fleur weer grip kreeg op de situatie, maakte dat ze de regie had en dit gaf haar vertrouwen.Dit bleek wel uit het feit dat Fleur op een keer een beetje nieuwsgierig zei : ‘Oké, ik ben er klaar voor, ik wil het nu wel’.

Doordat Fleur weer regie had over de situatie, was haar zelfvertrouwen groter dan de angst, wat maakt dat de ingreep heel ontspannen is verlopen.

Chantal van den Akker
Vakgroep Medisch Pedagogische Zorg Nederland

Van kinderarts naar volwassenenzorg? Onze animatie vertelt meer over deze transitie!

In een eerder artikel vertelden wij al meer over ons Peerbuddyproject. Alle kinderen met een chronische aandoening maken rond hun zestiende of achttiende levensjaar de overgang van kinderarts naar volwassenenzorg. Plotseling zijn ze zelf verantwoordelijk voor afspraken op de poli, onderzoeken en gesprekken met de arts. Dat valt niet mee. In het project Peerbuddy van Kind & Ziekenhuis worden jongeren ondersteund bij het maken van een soepele overgang.

Animatie

Speciaal voor dit project hebben wij een animatie gemaakt waarin de belangrijkste verschillen tussen de kinderarts en volwassenenzorg worden uitgelegd.

Foto animatie transitiezorg

Zelf regie leren nemen

Het belangrijkste is dat jongeren zelf de regie leren te nemen over de zorg rondom hun chronische aandoening. Om te zorgen dat je je niet in het diepe gegooid voelt en de transitie naar de volwassenenzorg soepel te laten verlopen, worden in dit project peerbuddy’s ingezet. Is dat misschien ook iets voor jou?

Meer informatie vind je op: Goodbye Kinderarts.

AllerGoGo-app geeft grip op hooikoorts

Deventer Ziekenhuis lanceert allergie-app speciaal voor kinderen

Het Deventer Ziekenhuis lanceert als eerste Nederlandse ziekenhuis een allergie-app speciaal voor kinderen: AllerGoGo. De app is door artsen én patiënten ontwikkeld en geeft kinderen tussen de 7 en 16 jaar meer grip op hun hooikoorts.

Het aantal kinderen met allergische reacties neemt snel toe. Inmiddels heeft zo’n 25 procent van de Nederlandse tieners last van hooikoorts. Als het hooikoortsseizoen rond februari weer start, zijn rode ogen, niesbuien, kriebelhoest, hoofdpijn en vermoeidheid veelvoorkomende klachten.

Hooikoorts teistert steeds meer kinderen

Kinderallergoloog Monique Gorissen: “Steeds meer kinderen krijgen last van hooikoorts, onder meer door luchtvervuiling en een toename van bepaalde soorten pollen. Als kinderen bij de (huis)arts zijn, is het voor hen soms lastig zich uit te drukken of om terug te halen waar of wanneer ze klachten hadden. Met de app krijgen ze pollennieuws, kunnen ze een digitaal dagboek bijhouden, dat goed van pas kan komen bij het bezoek aan de specialist. Hierin kunnen ze hooikoortsklachten en hun medicijngebruik vastleggen. Dit biedt inzicht in wat wel en niet werkt. Ook bevat de app tips om hooikoortsklachten te voorkomen.”

Klachten bijhouden door middel van selfies

Met AllerGoGo krijgen kinderen te maken met een figuurtje genaamd Allergotchi. Bij veel klachten wordt Allergotchi ziek en als er medicijnen worden gebruikt wordt hij weer beter. Ook kunnen kinderen er voor kiezen om de selfie-functie te gebruiken. Ze maken dan een foto van zichzelf en kunnen met smilies aangeven hoe ze zich voelen. Met deze functie wordt inzichtelijk wat er wel of niet wordt gedaan en gebruikt om hooikoorts tegen te gaan.

De tienjarige Laura Weber uit Enschede gebruikt de app al. Het hele jaar door heeft ze last van gras- en boompollen. Twee keer per dag vult Laura haar gegevens in op de app. Allergotchi geeft aan hoe ze zich voelt, voor- en na de medicijnen. Haar moeder laat weten: “Ik vind het belangrijk dat mijn dochter ook zelf leert kijken naar haar klachten. Daar kan de app zeker bij helpen.”

Totstandkoming AllerGoGo

De app is het winnende resultaat van een innovatiewedstrijd in het Deventer Ziekenhuis. Medewerkers konden ideeën voor slimme zorg-apps inzenden. De ontwikkeling van AllerGoGo is een voorbeeld van co-creatie in de zorg. Patiënten, ouders, kinderartsen en ICT’ers zaten namelijk vanaf het begin samen aan de ontwerptafel. Zij brachten de behoeften in kaart en vertaalden deze naar een digitale oplossing voor kinderen tussen 7 en 16 jaar. Binnen een jaar werd de app realiteit en kan deze vanaf nu de snel groeiende groep kinderen met allergieklachten helpen.

Allergie als speerpunt

De lancering van AllerGoGo past bij de ambitie van het Deventer Ziekenhuis om een voorloper te zijn op het gebied van kinderallergie. Daarom is in 2015 in het ziekenhuis het Kinderallergie Behandelcentrum geopend. Daar worden kinderen met allergieklachten geholpen om zo snel mogelijk een klachtenvrij leven te leiden. Het team, bestaande uit onder meer twee kinderarts-allergologen, werkt intensief samen met een dermatoloog, KNO-arts, kinderallergieverpleegkundige, longfunctie-analist, diëtiste en eczeemverpleegkundige, om de meest optimale zorg te kunnen bieden.

AllerGoGo is nu te downloaden voor Apple en Android. Voor meer info: www.dz.nl/allergogo.

Bekijk hoe AllerGoGo werkt

E-health voor kinderen

Beter aansluiten bij de manier waarop kinderen communiceren

E-health kan de zorg voor kinderen laagdrempeliger en toegankelijker maken, ervoor zorgen dat ze minder in het ziekenhuis hoeven te zijn en meer regie krijgen over hun eigen leven, vindt kinderarts Nicole van Eldik. Kinderneurochirurg Erik van Lindert probeert door digitale zorg de samenwerking tussen artsen te stimuleren, de patiëntenvoorlichting te verbeteren en het contact met en tussen kinderen en ouders op een hoger plan te brengen. Twee artsen die e-health omarmen en grote mogelijkheden zien.

Kinderarts Nicole van Eldik zat in de spreekkamer vaak tekeningetjes te maken om uit te leggen hoe het hart, de maag, darmen of longen werken. De tekeningetjes waren niet altijd duidelijk, of haar pen hield ermee op. Dus besloot ze om haar tablet in de spreekkamer te introduceren.

Sinds ze apps als The Human Body gebruikt, kan ze laten zien welke weg een worteltje door het lichaam aflegt en begrijpen kinderen en ouders ineens veel beter hoe organen werken. Van Eldik (1982) is zelf met digitale techniek opgegroeid en probeert aan te sluiten bij de manier van communiceren van de huidige kinderen, die perfect weten hoe een tablet werkt en zelfs als kleuter zelfstandig Dorafimpjes op Youtube kunnen vinden. Ze weet zeker dat e-health een grote rol gaat spelen in de gezondheidszorg en is voorzitter van de nieuwe werkgroep Innovatie van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). Die werkgroep heeft als missie om ‘actuele ontwikkelingen en vernieuwingen binnen de kindergeneeskunde te volgen, te beïnvloeden en vorm te geven’. E-health is een van de aandachtsgebieden.

Betrouwbaar

Thuismeetapparatuur en videoconsulten zijn de technieken waar Van Eldik veel van verwacht, hoewel ze er direct bij zegt dat de technieken nog “verder doorontwikkeld moeten worden” voordat ze zo betrouwbaar zijn dat artsen en verpleegkundigen erop durven te vertrouwen. “Er zijn al veel mogelijkheden om thuis te meten en monitoren, maar bij kinderen is het moeilijk om de effectiviteit en kwaliteit vast te stellen omdat de normaalwaarden voor elke leeftijdsfase anders zijn. We moeten nog veel onderzoek doen, uitproberen, kijken of het klopt en op een gegeven moment kunnen we ze toepassen.”

Je moet wel bedenken dat de arts in de spreekkamer vaak de oudste is.

En als het eenmaal zover is? Dan verwacht ze dat kinderen na een operatie veel eerder naar huis kunnen met wearables, draagbare apparaten zoals slimme pleisters. “Bijvoorbeeld kinderen die geopereerd zijn en die je wilt monitoren omdat er complicaties kunnen ontstaan. Op het moment dat je een betrouwbare slimme pleister hebt die om de dertig seconden je hartfrequentie, ademfrequentie en bloeddruk meet, kunnen ook die kinderen dezelfde dag naar huis omdat je het veel sneller ziet als een kind achteruitgaat. Het algoritme achter de wearable stuurt een seintje als de hartslag of ademhaling te hoog is. Vervolgens gaat er een seintje naar de ouders en dokter of verpleegkundige, en die kunnen kijken hoe het met het kind gaat. Dat is volgens mij de toekomst. Slimme draagbare apparaten nemen de reguliere controles in het ziekenhuis over, zodat kinderen langer en veiliger thuis kunnen blijven. Het is volgens mij een stuk veiliger dan wanneer een kind zonder monitor op de kinderafdeling ligt en er drie keer per dag een kinderverpleegkundige komt controleren. In de zes of acht tussenliggende uren kan enorm veel gebeurd zijn, want kinderen kunnen heel snel achteruit gaan. Als een
apparaat die controletaak kan overnemen, kom je er veel eerder achter wat er aan de hand is.”

“Ze meten hun hartslag met een smartwatch, of de kwaliteit van hun slaap met één van de honderden apps, en komen in de spreekkamer met printscreens van de resultaten.”

Artsen zijn soms bang voor een nieuwe manier van werken, zegt Van Eldik. “Ze vinden het onpersoonlijk omdat ze minder live contact hebben. Maar videobellen of een e-consult is ook contact, en het maakt de drempel voor een patiënt om contact te zoeken lager. Je moet wel bedenken dat de kinderarts in de spreekkamer vaak de oudste is. De kinderen en ouders zijn vaak al veel meer ingesteld op digitaal communiceren dan de arts. Als kinderen kunnen inloggen in hun dossier, kunnen zien welke gegevens zijn verzameld en wat ermee gebeurt, wordt de zorg die ze krijgen inzichtelijker en laagdrempeliger. Daarmee geef je ze kracht. Ze krijgen de gelegenheid om samen met hun ouders en zorgverleners onderdeel te zijn van het team en regie te nemen over hun leven.” Je kunt er als arts trouwens ook niet meer omheen dat kinderen zelf het heft in handen nemen, zegt Van Eldik. “Ze meten hun hartslag met een smartwatch, of de kwaliteit van hun slaap met één van de honderden apps, en komen in de spreekkamer met printscreens van de resultaten. Dan kunnen wij wel zeggen: die apps zijn niet betrouwbaar, maar we moeten er toch wat mee, we kunnen het niet negeren.”

Veiligheid

Twee belangrijke belemmeringen voor brede toepassing van e-health zijn de veiligheid en de koppeling van de resultaten van digitale (zelf)meetapparatuur aan het elektronisch patiëntendossier (EPD), zegt Van Eldik. “En er moeten meer artsen komen die een brug slaan tussen techniek en zorg, zodat goede ontwikkelingen zich als een olievlek kunnen verspreiden en bedrijven niet komen met goedbedoelde apparaten waar een arts niets mee kan. Er is bijvoorbeeld een slimme luier ontwikkeld. Die meet net als de huisarts bijvoorbeeld eiwitten en glucose, maar het kost 450 dollar om de slimme luier twee weken te gebruiken, terwijl het niet erg nuttig is om continu te meten als een kind geen klachten heeft. Als een arts bij zo’n bedrijfje betrokken is, kan die zeggen wat nuttig is en wat niet. Het is ook belangrijk dat professionals ervoor waken dat de toepassingen voor iedereen beschikbaar zijn, we kunnen er niet vanuit gaan dat iedereen zich de nieuwe gadgets kan permitteren.”

Het kinderneurochirurgisch netwerk heeft een forum voor ouders en kinderen, een digitale poli, een kennisbank en een beveiligde omgeving waarin dokters met elkaar kunnen samenwerken.

Kinderneurochirurgisch netwerk

Ook kinderneurochirurg Erik van Lindert van Radboudumc heeft de mogelijkheden van digitale zorg ontdekt. Kinderneurochirurgie is een extreem klein vak, in heel Nederland gaat het misschien om duizend kinderen per jaar, met allemaal zeldzame aandoeningen. In topcentra in bijvoorbeeld Parijs en Toronto werken vier tot zes kinderneurochirurgen samen; in Nederland zijn het er één of soms twee in zeven ziekenhuizen. “Dat is extreem kwetsbaar”, zegt Van Lindert. “Als er een congres is in New York waar we bijna allemaal naartoe gaan, is er bijna geen kinderneurochirurgische expertise in Nederland. Dat is niet goed. We moeten die kinderen beschermen, en dat kan alleen door de zorg nog meer te concentreren.”

Filmpje

Aanvankelijk dacht Van Lindert aan daadwerkelijk fysiek concentreren van de zorg, maar daar bleek onvoldoende draagvlak voor te zijn. Hij kwam op het idee om een digitaal netwerk op te zetten: het Kinderneurochirurgisch Netwerk Nederland (KNNN). Omdat lobbyen en het bewandelen van formele wegen nergens toe leidde, liet hij in 2015 op eigen kosten een filmpje maken en stuurde dat naar het bestuur van Radboudumc.

“Toen ging het leven en begreep men waarom het belangrijk is. Ik kreeg een kwart miljoen van het Radboud voor de ontwikkeling van het netwerk en daarna volgden andere subsidies.” Met als resultaat dat in oktober 2016 de website www.knnn.nl kon worden gelanceerd. De site functioneert al en wordt langzamerhand aangevuld en uitgebreid.

Lotgenotencontact

Van Lindert laat de site zien. Het is een combinatie van een forum voor ouders en kinderen, een digitale poli, een kennisbank en een beveiligde omgeving waarin de dokters met elkaar kunnen samenwerken. Het forum is landelijk en bedoeld voor lotgenotencontact. In de kennisbank kunnen ouders onder meer lezen over recent wetenschappelijk onderzoek, door een vierdejaarsstudent geneeskunde vertaald in zo begrijpelijk mogelijk Nederlands. Van Lindert: “We willen dit onderdeel uitbreiden met video’s die we van internet verzamelen. Onze ambitie is ook dat de patiënt in de toekomst niet meer hoeft te zoeken naar informatie, maar dat wij voor hen relevante informatie kunnen aanklikken en een persoonlijke folder samenstellen. We hebben algemene informatie over bijvoorbeeld operaties en drains, de behandeling van een waterhoofd, epilepsie en spina bifida. Daarnaast heeft elk ziekenhuis een eigen folder over hoe de opname werkt. We willen dat kinderen naar huis gaan met informatie voor opa en oma, voor de buren en voor school, zodat ze niet steeds opnieuw hoeven uit te leggen wat er aan de hand is en waarom ze wel of niet mogen sporten.”

“We kunnen elkaar beveiligd foto’s en filmpjes van patiënten sturen”

In de digitale poli kunnen patiënten communiceren met hun arts en in de werkomgeving kunnen artsen protocollen uitwisselen, onderzoek doen, informatie over moeilijke patiënten met elkaar uitwisselen en vragen wat de anderen zouden doen. “We kunnen elkaar beveiligd foto’s en filmpjes van patiënten sturen”, zegt Van Lindert. “Voorheen deelden we ook al patiënten, maar nu kunnen we dat veel laagdrempeliger doen.”

Foto

Vooral de digitale poli kan volgens Van Lindert van grote waarde zijn voor ouders en kinderen. In Nijmegen werkt die al sinds 2016. “Er kan bijvoorbeeld een vraag gesteld worden over de wond van een kind dat geopereerd is aan een waterhoofd en een week later een rode wond heeft. De huisarts heeft er geen verstand van, dus normaal moeten ze naar het ziekenhuis komen. Nu zeggen we: stuur maar een foto. Op basis van de foto beoordelen we of het nodig is om met het kind te komen. Meestal valt het mee en kan de patiënt thuisblijven. In de digitale poli kan een kind ook vragen om foto’s van een operatie die het heeft ondergaan, voor een spreekbeurt. Een student geneeskunde verzamelt de plaatjes en zet ze in de map van het kind. Patiënten kunnen desnoods midden in de nacht vragen stellen en wij antwoorden op een moment dat ons goed uitkomt. En als een kind een MRI heeft gehad, sturen we na twee dagen al een berichtje met de uitslag, zodat het gezin niet wekenlang in spanning hoeft te zitten.”

Als kinderen bij Medisch Spectrum Twente een afspraak op de poli hebben, ontvangen ze via e-mail een link naar de ‘Obbemodule’ met 3D-visualisaties, foto’s, teksten en video’s waardoor ze ervaren wat er in het ziekenhuis gaat gebeuren. Obbe is een wrattenzwijntje dat naar het ziekenhuis gaat. Voor meer informatie: obbe.co.nl.

Online genezen van chronische vermoeidheid

FitNet, een afkorting van Fatigue In Teenagers on interNET, is een online gedragstherapie voor kinderen van twaalf tot achttien jaar met CVS, het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ze loggen in op een behandelportaal en komen daar in contact met een gedragstherapeut van het Nederlands Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid die gespecialiseerd is in CVS bij kinderen. Eerst werken de kinderen met schema’s en zelf gekozen doelen aan een normaal waak- en slaappatroon, daarna leren ze om weer gewone activiteiten op te bouwen zoals wandelen, fietsen en naar school gaan. In de therapie wordt ook veel aandacht besteed aan welke gedachten helpend of juist niet-helpend zijn, hoe hun ouders kunnen helpen, en wat ze kunnen doen bij een terugval. Tweederde van de deelnemers is na een half jaar hersteld, dan hebben ze gemiddeld zo’n 250 keer ingelogd.

De Utrechtse kinderartsen Elise van de Putte en Sanne Nijhof stonden aan de wieg van FitNet, Nijhof is er in 2013 op gepromoveerd. Ze vergeleek kinderen die deelnamen aan FitNet met een groep kinderen die reguliere zorg kregen zoals revalidatie, psychotherapie of fysiotherapie. Zes maanden na start van het onderzoek bleek dat 8% van de kinderen met reguliere zorg was genezen, tegen 63% van de deelnemers aan FitNet. De helft van de kinderen met reguliere zorg koos na een half jaar alsnog voor FitNet, en ook van deze groep was tweederde na zes maanden hersteld. Na 2,5 jaar bleek nog steeds tweederde van de kinderen die FitNet had gevolgd te voldoen aan de criteria voor herstel. Het resultaat was dus blijvend. Volgens Nijhof is één van de succesfactoren dat kinderen zelf een programma maken. Daarmee krijgen ze controle over hun klachten en herstel. Ouders kunnen ook inloggen en vragen stellen aan de therapeut.

Inmiddels is FitNet beschikbaar voor alle kinderen in Nederland die de diagnose CVS hebben gekregen. Ze kunnen door hun kinderarts worden verwezen naar het AMC in Amsterdam of naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht en krijgen daar een intakegesprek. Daarna gebeurt de therapie volledig online. De vijf beschikbare cognitieve gedragstherapeuten zijn gespecialiseerd in chronische moeheid bij CVS en bij chronische ziekten.

Rustiger

Van Lindert merkt dat zijn spreekuur sinds de invoering van de digitale poli rustiger is geworden. “In het oude systeem moesten kinderen zes weken na een operatie van Winterswijk naar het ziekenhuis komen om de wond te controleren. Papa en mama moesten vrij nemen, het kind kon niet naar school, ze zaten twee keer anderhalf uur in de auto, moesten parkeren, deden er twintig minuten over om bij de poli te komen en zaten dan nog een half uur op mij te wachten. Terwijl ik in een minuut kan zien of de wond goed geneest. Dus nu spreken we af dat de ouders, als het alleen om wondcontrole gaat, na zes weken een foto maken en via de digitale poli naar mij sturen. Meestal is er niets aan de hand en hoeven ze niet te komen. Best jammer, want ik vind het leuk om de patiënten te zien, maar het is onzin dat ouders de hele dag vrij moeten nemen en uren onderweg zijn.”

Laagdrempelig

E-health veroorzaakt geen extra werk, is de ervaring van Van Lindert. “Mijn theorie is dat het minder werk is, maar dat moet ik nog staven. Het feit dat mensen weten dat ze laagdrempelig toegang hebben tot zorg en snel antwoord krijgen als ze een vraag stellen, haalt veel onrust en angst weg. Daardoor stellen ze minder vragen en durven langer af te wachten als ze een zwelling hebben of een pijntje. Ze weten dat ze toch wel terechtkunnen als het nodig is.”

Is het dan misschien heel duur? Nee, dat al helemaal niet, zegt Van Lindert. “De kosten voor de website zijn honderd euro per maand. We willen een toolkit maken waarmee ook andere kleine subspecialismen die moeilijk subsidie krijgen een netwerk kunnen bouwen. Ze kunnen gebruikmaken van alles wat wij geleerd hebben.”

Het Kinderneurochirurgisch Netwerk draait nu een jaar in Nijmegen en breidt nog dit jaar uit naar Maastricht. In 2018 volgen de UMC’s in Amsterdam, Rotterdam Groningen en Leiden.

www.knnn.nl

Zorg van 20-wekenecho tot ver in de volwassenheid

Een vrouw van 54 jaar gaat naar de kinderarts omdat ze een aangeboren chronische ziekte heeft. Een beetje vreemd? Niet voor kinderlongarts Kors van der Ent. De levensverwachting van mensen met aangeboren aandoeningen zoals cystic fibrosis is drastisch gestegen. Dat maakt een totaal andere organisatie van de medische zorg noodzakelijk. UMC Utrecht schakelt langzamerhand over op levensloopgeneeskunde: zorg voor patiënten vanaf de 20-wekenecho tot ver in de volwassenheid. De muren tussen de ziekenhuizen voor volwassenen en kinderen worden flexibel.

Tot nu toe is de zorg in het ziekenhuis verdeeld in twee groepen: nul tot achttien jaar en achttien jaar en ouder. Kinderen van achttien jaar worden overgeheveld naar een arts voor volwassenen, want zo is het ziekenhuis nu eenmaal georganiseerd. Daarmee ga je voorbij aan wat patiënten nodig hebben, vindt Kors van der Ent. Hij is kinderlongarts in het Wilhelmina Kinderziekenhuis, hoogleraar kinderlongziekten en voorzitter van het programma Child Health van UMC Utrecht. “We moeten de organisatie van de zorg aanpassen aan de enorme veranderingen in de kindergeneeskunde. Twintig jaar geleden overleden patiënten met cystic firosis (CF) op jonge leeftijd, tegenwoordig blijven ze bijna allemaal leven. Kinderen met een aangeboren hartgebrek worden volwassen, veel te vroeg geboren kinderen, kinderen met kanker. Tot voor kort hadden we geen idee dat de helft van de patiënten met CF ook suikerziekte zou ontwikkelen en dat ze een hoge kans hebben op botontkalking. Om hun vruchtbaarheid maakten we ons niet zo druk, want dat was niet aan de orde. Nu wel.”

“Tot voor kort hadden we geen idee dat de helft van de patiënten met CF ook suikerziekte zou ontwikkelen en dat ze een hoge kans hebben op botontkalking.”

Kinderartsen hebben er een nieuwe groep patiënten bijgekregen waarvan ze zich moeten afvragen welke complicaties hun ziekte later zal hebben en wat de gevolgen van medisch handelen zijn op de lange termijn. “Dat is de eerste pilaar van levensloopgeneeskunde”,
zegt Van der Ent. “Onze patiënten worden veel ouder dan voorheen, maar ze houden dezelfde gezondheidsproblemen als in hun kindertijd. We krijgen ook jongere patiënten, want bijvoorbeeld aangeboren hartafwijkingen worden al bij de 20-wekenecho gediagnosticeerd. Baby’s krijgen een nieuwe hartklep, maar nu blijkt dat die rond achttien jaar te klein wordt. Dus moeten we misschien besluiten dat het goed is om patiënten rond hun tiende levensjaar weer een nieuwe hartklep te geven. Als kinderartsen moeten we het ziektebeloop van voor de geboorte tot ver in de volwassenheid kunnen volgen. Dat heeft vergaande consequenties voor samenwerkingen die je aangaat, voor
wat je doet en voor de manier waarop je patiënten volgt en met ze meedenkt.”

Regie

De tweede pilaar van de levensloopgeneeskunde is volgens Van der Ent: oog hebben voor de psychosociale ontwikkeling van de patiënt. “Jarenlang hebben we ziekte als een bedreiging gezien, iets wat afbreuk doet aan wat kinderen kunnen. Nu gaan we uit van wat de patiënt nog wel kan, en hoe hij of zij die mogelijkheden op de lange termijn zo goed mogelijk kan inzetten. We zijn niet meer alleen bezig met het verminderen van de pijn en het verdriet dat een ziek kind nu heeft, maar we denken na over hoe we chronisch zieke kinderen kunnen helpen om evenwichtige en gelukkige volwassenen te worden, met of
zonder fysieke beperkingen. We stimuleren onze patiënten om de regie over hun leven te nemen, zodat ze zich als volwassene staande kunnen houden.”

Volwassenen

De zorg voor kinderen en volwassenen ligt steeds meer in elkaars verlengde, of loopt door elkaar. De oudste patiënt van Van der Ent is een vrouw van 54 jaar met CF. “Ze kan bij mij terecht omdat we als kinderartsen kennis hebben over zeldzame, aangeboren afwijkingen waar artsen voor volwassenen niets van weten omdat die patiënten vroeger niet volwassen werden.

We hebben technieken en medicijnen voor kinderen ontwikkeld waar ook volwassenen extreem goed op kunnen reageren. Iemand met een aangeboren hartgebrek kan misschien beter geopereerd worden door een kinderhartchirurg, omdat die de juiste kennis en apparatuur heeft. Het gaat dus niet meer om leeftijd, maar om wat zinnig is voor de patiënt. Artsen voor volwassenen zien ook ziektebeelden die ze vroeger nooit zagen en waar ze geen ervaring mee hebben. Een patiënt met twintig jaar medische ervaring is veel meer deskundige op het gebied van zijn ziekte en leven dan die dokter misschien gewend is.”

Voorlopig ligt de focus voor levensloopgeneeskunde bij vier groepen: kinderen met problemen rond de geboorte, zeldzame aangeboren afwijkingen, ernstige ontstekingsziekten zoals reuma en CF, kinderen met kanker. Van der Ent: “We streven er bijvoorbeeld naar om de cardiologen voor volwassen patiënten met aangeboren afwijkingen, samen te laten werken met de kindercardiologen. We zetten de gegevens van kinderen en volwassenen in dezelfde database en bij onderzoek naar bepaalde ziektes streven we naar één onderzoeksteam voor zowel kinderen als volwassenen. Het wordt een continuüm van zorg van voor de geboorte tot ver in de volwassenheid. De organisatie van de zorg wordt afgestemd op wat goed is voor de patiënt, in plaats van wat handig is voor de organisatie.”

Onderzoek psycholoog Renske Schappin

Problemen voorspellen en voorkomen

Kinderen met een hartafwijking lopen risico op hersenschade door zuurstofgebrek. Dat begint al tijdens de zwangerschap en kan worden verergerd tijdens de hartoperatie na de geboorte. In het multidisciplinaire Congenital Heart Disease Lifespan Project wordt onderzocht wanneer welke schade ontstaat, wat de gevolgen zijn en hoe schadelijke gevolgen beperkt kunnen worden. Psycholoog Renske Schappin doet onderzoek naar wat er gebeurt met ouders, als ze bij de 20-wekenecho horen dat hun kind een ernstige hartafwijking heeft en nog voor de eerste verjaardag geopereerd moet worden. Het onderzoek is begonnen in 2016 en zal veertig jaar duren. Wat is het doel? Renske Schappin: “We willen kinderen een zo goed mogelijke start geven, in dit geval door psychologische ondersteuning. We zien dat een deel van de kinderen met een aangeboren hartaandoening psychische problemen ontwikkelt. Ze hebben moeite met plannen en abstract denken, vaardigheden die belangrijk zijn op de middelbare school. We willen zo vroeg mogelijk voorspellen welke kinderen problemen ontwikkelen, zodat we die kunnen voorkomen. Dat kan alleen als we kinderen en ouders eerst heel lang volgen en dan terugkijken: waarin verschillen kinderen en ouders waarmee het wel of niet goed ging? Kunnen we die verschillen al heel vroeg zien? Uiteindelijk willen we bepalen welke bestaande en nieuwe interventies voor deze groep toegevoegde waarde kunnen hebben. We kijken naar ouders omdat we verwachten dat een deel van hen posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkelt. Als ouders getraumatiseerd zijn, is dat slecht voor de hechting met het kind en maakt het een minder goede start. Dat heeft invloed op hoe het kind zich ontwikkelt.” Het onderzoek begint na de 20-wekenecho met een vragenlijst voor ouders over hun verwachtingen over hun eigen toekomst en die van hun kind. Schappin: “Van beide ouders willen we iets weten over geschonden verwachtingen. Als je hoort dat je een kind met een ernstige aandoening krijgt, staat je wereld op zijn kop. Sommige ouders moeten beslissen of ze de zwangerschap afbreken. Het leven loopt in alle gevallen heel anders dan ouders hadden gedacht. Hun kind moet in het ziekenhuis blijven en familie en vrienden reageren terughoudend. Sommige ouders zijn niet veerkrachtig genoeg om daarin hun weg te vinden en krijgen psychische klachten. Ik denk dat geschonden verwachtingen de kern zijn van hoe mensen verder gaan. Naast vragenlijsten krijgen alle ouders een gesprek met een maatschappelijk werker, voor als de vragen gedachten en negatieve gevoelens oproepen. We doen dus niet alleen onderzoek, maar bieden ook zorg voor ouders en kinderen.” Schappin benadrukt dat ze overlegt en samenwerkt met collega’s uit alle disciplines die met deze groep kinderen en ouders te maken hebben. “Het gaat er bij levensloopgeneeskunde om dat je als collega’s ziet wat het gedeelde belang is: het stimuleren van de ontwikkeling van het kind, en dus niet je eigen beroep of afgebakende terrein. Bij alles wat je doet, weeg je het toekomstperspectief van het kind mee.”

Informatie over het onderzoek: r.schappin@umcutrecht.nl

“We denken na over hoe we chronisch zieke kinderen kunnen helpen om evenwichtige en gelukkige volwassenen te worden, met of zonder fysieke beperkingen.”

Levensloopgeneeskunde is onderdeel van het universiteitsbrede programma Child Health, waar de divisie vrouw en baby onder valt, maar ook delen van onder meer genetica, hersenen en heelkundige specialismen. Allemaal artsen die hun thuisbasis in het ziekenhuis voor volwassenen hebben, maar steeds meer ook in het WKZ werken.

“Dat is spannend,” zegt Van der Ent, “het vraagt veel van onze flexibiliteit en veranderingsgezindheid, maar het voelt goed omdat we zien dat patiënten er baat bij hebben. Voor zo’n patiënt van 54 jaar is het prettig dat ze eindelijk de beste medicijnen krijgt, maar wij krijgen er ook veel voor terug. Met haar ervaringen en reflecties kunnen we de zorg in de toekomst verbeteren. We moeten dit echt samen met de patiënten doen.”

Met levensloopgeneeskunde kiest het ziekenhuis ervoor om het grootste deel van de zorg niet meer te steken in patiënten met blindedarmontsteking of longontsteking die na vier, vijf weken weer genezen zijn, maar in chronisch zieken die op de lange termijn de meeste zorg nodig hebben. Van der Ent: “We kijken bijvoorbeeld naar de rol van spel in de ontwikkeling van kinderen. Spelen is voor kinderen competenties opdoen voor het latere leven. Kinderen met reuma en pijn in hun gewrichten, met CF, een tekort aan lucht of een hartgebrek kunnen misschien niet goed meedoen met gym en voetbal of hockey en zitten dagenlang op de bank te gamen. Als je ziet dat ze op lange termijn minder weerbaar zijn of op school vaak gepest worden omdat ze niet de beste zijn met voetbal, moeten we daar als kinderziekenhuis misschien wel extra aandacht aan besteden. We kunnen hun fysieke weerbaarheid trainen door ze bijvoorbeeld op de trampoline te laten spelen. Dat kan consequenties hebben voor hoe we het gebouw inrichten. We proberen te bedenken waar we kinderen het meest mee helpen en dat te onderbouwen.”

“Alles en iedereen moet de attitude hebben: wat we nu doen heeft consequenties voor morgen en overmorgen en de jaren erna.”

Om het begrip levensloopgeneeskunde bij iedereen ‘tussen de oren te krijgen’ heeft het UMC in mei een Child Healthweek georganiseerd. Van der Ent: “We willen dat alle medewerkers ervaren wat patiënten in het ziekenhuis meemaken. We vragen ook aan medewerkers om twee weken het regiem te volgen dat sommige patiënten hun leven lang moeten volgen: drie keer per dag pillen nemen, nooit alcohol drinken. De uitkomst was tijdens het schrijven van dit verhaal nog niet bekend, maar Van der Ent kon het wel voorspellen: “Dat lukt maar weinig medewerkers. Het is heel makkelijk om te zeggen tegen een jongen van zestien: ‘jij moet gewoon je pillen slikken want anders is je longfunctie heel erg slecht als je 25 bent’, maar zie maar eens hoe moeilijk dat is. We hopen meer invoelend vermogen tussen de oren van de medewerkers te krijgen doordat ze ervaren dat zo’n levenslange last echt een enorme last is. Alles en iedereen moet de attitude hebben: wat we nu doen heeft consequenties voor morgen en overmorgen en de jaren erna. We moeten dus nu allemaal investeren in de toekomst van onze patiënten. Ik denk dat we daar breed de noodzaak van zien. We hebben het echt met ons allen in sessies met patiënten en patiëntenorganisaties bedacht. Voor ons is het ook een levenslooptraject. We willen met onze patiënten meegroeien en elkaar stimuleren.”

Heleen Schoone

Programma Dynamics of Youth

Dynamics of Youth is een project van de faculteit Sociale Wetenschappen van Universiteit Utrecht. De onderzoekers kijken onder meer naar factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen: welke kinderen ontwikkelen ADHD, welke lopen het risico dat ze buiten de boot vallen in de klas of gepest worden, welke kinderen ontsporen in hun puberteit of erna. De gegevens van gezonde en zieke kinderen worden naast elkaar gelegd om te kunnen vaststellen wat de impact is van chronische ziekte op onder meer uitval en vertraging op school en op Citoscores. In het programma wordt samengewerkt met de gemeente Utrecht. De kennis van de gemeente wordt gekoppeld en gespiegeld aan de kennis van het ziekenhuis over chronisch zieke kinderen. Zo kunnen risicofactoren benoemd worden voor bijvoorbeeld kinderen met een aangeboren hartafwijking. Misschien is de plek waar een kind opgroeit een nog belangrijker risicofactor dan de chronische ziekte. Ook het Trimbos Instituut is een samenwerkingspartner. Een keer in de vier jaar houdt het instituut een landelijk onderzoek als onderdeel van een groot internationaal onderzoek naar hoe gelukkig kinderen zijn, alcohol- en drugsgebruik en seksuele gewoontes. UMC Utrecht wil weten wat de rol van dergelijke factoren is op chronische ziekten en andersom. Door de gegevens te vergelijken met andere landen kan het ziekenhuis ook beoordelen of etniciteit een risicofactor is voor de langetermijnprognose en ontwikkeling van chronische ziekten. Met samenwerkingspartner Nutricia wordt onderzocht wat het effect van voeding is op chronische ziekten. Het is bijvoorbeeld bekend dat kinderen die overvoed worden in de eerste drie levensmaanden, een hoog risico hebben op astma en luchtwegproblemen en cardiovasculaire complicaties. Op initiatief van de Europese Unie zijn netwerken opgericht voor zeldzame ziekten waarin Europese ziekenhuizen hun expertise delen. Het WKZ heeft de leiding gekregen in de netwerken voor reuma en neurologische aandoeningen en in het netwerk voor cystic fibrosis.

Benjamin: Hart op Weg

Jeannine Greijdanus en Dick Buitenhuis zijn de ouders van Benjamin, een vijfjarige jongen met een ernstige aangeboren hartafwijking. Een paar weken na de geboorte kreeg hij een hartkatheterisatie en na drie maanden werd Benjamin aan zijn hart geopereerd. Het gezin doet vanaf de start in 2013 mee met het Hart op Wegspreekuur in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Doel van het spreekuur is het structureel volgen van de lichamelijke, cognitieve en motorische ontwikkeling van kinderen met de hartafwijkingen Tetralogie van Fallot of Transpositie van de Grote Vaten, zodat eerder en effectiever kan worden ingegrepen. Vanaf zes jaar wordt ook de fysieke fitheid van de kinderen geëvalueerd. Jeannine: “Op het spreekuur wordt liefdevol naar Benjamin gekeken en veel aan ons gevraagd: wat wij aan hem zien, welke vragen we hebben. Eerst luisteren ze naar ons, daarna geven ze hun kijk op Benjamin. Soms gaat hij ook naar de kinderfysiotherapeut. Die bekijkt zijn motoriek en hoe hij in zijn vel zit. Aan heel kleine dingen zien ze de invloed die de hartafwijking en de operatie daarna op hem hebben. Hij wordt nauwkeurig in de gaten gehouden en krijgt hulp als dat nodig is voor zijn gezondheid.”

Zorg van 20-weken tot ver in volwassenheidDick: “Ze hebben begrip voor onze vragen en zorgen. Ik was liever niet in het WKZ geweest, maar ik ga er wel met een fin gevoel naartoe.” Dick: “Onze zoon Noah was vijf toen Benjamin geboren werd. Hij heeft alles heel bewust meegekregen, de spanning vooraf en in de tijd van de operatie. Jeannine: “Ook hij is in het WKZ fantastisch bij alles betrokken. Vlak na de geboorte legde een verpleegkundige hem alles uit en mocht hij Benjamin heel zachtjes aanraken. Daardoor is Noah een echte grote broer geworden, heel zorgzaam.” Jeannine: “We kijken uit naar de oproepen voor Hart op Weg. Zelf zien we wel hoe het gaat, maar we willen het toch graag horen van mensen die het weten. We vinden het heel mooi dat ze niet alleen naar zijn lichamelijke ontwikkeling kijken, maar ook naar zijn algemene ontwikkeling.” Jeannine: “Groep 1 was moeilijk omdat hij een vroege leerling is. Daarom doet hij het eerste jaar over. Nu komt hij goed mee. Door extra gymlessen kan hij nu ook beter meedoen met gym, en hij is begonnen met zwemles.” Dick: “En hij kan prima fitsen.” Jeannine: “Het mooiste is dat hij in het leven staat alsof niemand hem iets kan maken. Hij is een zonnetje in ons leven.”

OK-jasjes jongeren

Nieuw ontwerp OK-jasjes Wilhelmina Kinderziekenhuis

Co-creatie: voor en door kinderen en zorgprofessionals

Veel patiënten zijn niet tevreden met de OK-jasjes van het WKZ. Dit geluid bereikte onder meer via de Kinderraad de leiding van de divisie Vitale Functies van het UMC Utrecht. De kinderen gaven aan: ‘Zit niet lekker’, ‘Niet mooi’ en ‘Voel me naakt, je ziet mijn blote billen.’ De zorgprofessionals letten vooral op functionele eisen: makkelijk open en dicht gaan, makkelijk uit te trekken en een jasje mag decubitus niet in de hand werken. Hoe kom je tot een nieuw ontwerp voor OK-jasjes waar zowel kinderen als zorgprofessionals blij mee zijn? De divisieleiding gaf deze opdracht aan industrieel ontwerper Thomas Latcham. Het werd zijn afstudeerproject aan de TU Delft (Design for Interaction). De uiteindelijke oplossing is dat kinderen zelf een keuze kunnen maken uit twee OK-jasjes en drie zakjes die ze zelf kunnen vormgeven. Bregt Camphuijzen, teamleider Recovery: “Zo krijgt de patiënt meer controle over het operatietraject. Een kind heeft zijn eigen jasje gekozen en het zakje persoonlijk gemaakt; dat vergroot het gevoel van veiligheid.”

Beleving en functie

Latcham startte in augustus 2016 met zijn ontwerpproject voor een nieuw OK-jasje. “Een ontwerp voor gebruikers en door gebruikers, dat is de essentie” geeft Latcham aan. “Door gebruikers te betrekken bij elke stap in het ontwerpproces, krijg je oplossingen die aansluiten bij de belangen van kinderen én van zorgprofessionals.”

Latcham begon met observaties en hij liep mee op OK’s, Recovery en enkele kinderafdelingen: “Hoe gaat het nu? Wat vinden medewerkers goed en minder goed aan de huidige OK-jasjes? Vervolgens heb ik met de Kinderraad gesproken over de huidige OK-jasjes en hun wensen voor een nieuw ontwerp. Met al die informatie van de gebruikers krijg je een goed beeld van de beleving, de wensen en de functionele eisen.”

Kinderen zijn de experts

Kinderen misten vooral een gevoel van controle. Latcham: “Een kind vertelde mij: ‘De jas is niet van mij, het is iets van het ziekenhuis.’ Ze voelde zich niet veilig en zelfverzekerd in het huidige OK-jasje. Op basis van alle ervaringen kwam ik op vier belevingseisen: controle, eigen, veiligheid en zelfverzekerdheid. Daarmee ben ik aan de slag gegaan. Of beter gezegd: de kinderen mochten los gaan, want dat is de essentie van co-creatie. Ik zie kinderen als experts: zij weten wat ze willen en van hen kan ik dus leren. Ik betrek kinderen daarom actief bij het proces van bedenken en maken: ze mogen hun hersenen en hun handen gebruiken. Kinderen doen mee in elke stap in het designproces. Mijn rol is die van facilitator en vertaler van hun wensen en behoeften. Ik denk dat er veel te winnen valt bij het ontwerpen van producten en diensten voor kinderen door hen op deze manier te betrekken bij het proces.”

Naar mama ruiken

Latcham ging aan de slag met patiënten uit het WKZ en met een schoolklas: “De kinderen maakten mindmaps en tekeningen, terwijl we een gelijkwaardig gesprek voerden. Uiteindelijk gingen ze met poppen en stof aan de slag. Als je kinderen iets laat doen of maken, kom je tot diepere kennis van hun beleving. Op papier schreef een meisje: ‘Ik wil dat het jasje ruikt naar mama.’ Toen ze met stof en de pop aan het knutselen was, vertaalde ze die geur, dat gevoel van veiligheid, naar het opschrijven van de namen van haar vrienden op het jasje.”

Drie concepten

Uit alle tekeningen, beschrijvingen en tientallen jasjes destilleerde Latcham drie concepten: kinderen moeten zelf iets te kiezen hebben, ze willen zelf iets persoonlijk kunnen maken en ze willen deel uitmaken van een groter geheel. “Met deze drie voorstellen ging ik weer terug naar kinderen”, vertelt Latcham. “Wat is goed en wat is niet goed? Uiteindelijk was niet één concept de winnaar, maar de combinatie van deze drie. Verrassend.”

Petra den Hollander

Zieke kinderen zijn bovenal kinderen

Latcham werkt graag met kinderen: “Ze nemen geen blad voor hun mond en zeggen als ze iets ‘shit’ vinden. Ze zijn creatief en denken out of the box, buiten de kaders die wij als volwassenen neerzetten. Wat me verder opviel, was dat de kinderen uit de schoolklas zich heel makkelijk konden inleven in de patiënten. De grootste les is echter dat zieke kinderen bovenal kinderen zijn. Dat moeten we niet vergeten. Ook al is het de tiende operatie, moet hij of zij herstellen van de chemotherapie: een kind wordt blij als hij of zij iets mag maken of zoals een kind het verwoordde: ‘ik heb even vakantie van het ziek zijn’.”

Feedback zorgprofessionals

De volgende stap was de emotionele behoefte van de kinderen vertalen naar de functionele eisen voor de OK. Latcham: “Ook de stem van de zorgprofessional moet je terugzien in het OK-jasje. Ik ben met verschillende fysieke prototypen van ontwerpen langs geweest: wat vinden jullie goed en wat niet goed? De feedback van de medewerkers heb ik steeds meegenomen om nieuwe prototypes te maken. Na drie rondes bij de zorgprofessionals had ik een ruw eindmodel. Met dit model ging ik weer terug naar de kinderen. Daar kwamen nog een paar wijzigingen uit die ik nog heb verwerkt.”

Het bijna definitieve ontwerp is getest tijdens een echte operatie. Latcham: “Dit was weliswaar een oogoperatie, maar het jasje voldeed aan de emotionele behoeften van de patiënte. Functioneel lijkt het goed, al moeten we nog verder testen met andere operaties.”

Ok-jasjes: twee outfits, drie zakjes

Tijdens het bezoek vóór de operatie kan het kind uit drie zakjes met verschillende prints kiezen. Deze zakjes passen op het OK-jasje. Het kind neemt dit zakje mee naar huis en kan er op tekenen, kleuren, schrijven, of wat voor creatiefs dan ook. Na de operatie mag het kind het zakje mee naar huis nemen. Daarnaast kan het kind zelf vooraf een keuze maken uit twee OK-jasjes, waarvan een model met shorts.

“Het mooie van co-creatie is dat het geen weerstand, maar draagvlak schept”, evalueert Camphuijzen. “De medewerker en de patiënt voelen zich gehoord. Als kinderen een keuze hebben en zelf iets persoonlijks van hun jasje kunnen maken, voelen ze zich veiliger en zekerder. Het nieuwe ontwerp komt niet in de la te liggen. We zijn al met onze huisleverancier in gesprek en andere ziekenhuizen hebben interesse getoond.”

Bregt Camphuijzen
UMC Utrecht
B.Camphuijzen@umcutrecht.nl

irene-cecile-strip

Strip biedt begrijpelijke informatie over wetenschappelijk onderzoek voor kinderen én door kinderen

Een nieuwe strip helpt kinderen bij de beslissing over deelname aan medisch-wetenschappelijk onderzoek. De huidige onderzoeksinformatie is moeilijk te lezen, onaantrekkelijk en sluit niet bij kinderen aan. Daarom is nieuwe informatie ontwikkeld in samenwerking met kinderen.

‘Ik snap dit niet, ze denken dat sommige mensen een afwijkend gen hebben en dat de hormonen in het lichaam veranderen, alleen, verandert je hart dan in een long bijvoorbeeld?’. Zomaar een reactie van een kind van 12, na het lezen van onderzoeksinformatie over een onschadelijke genafwijking. Het is duidelijk, de informatie komt niet over. En dat is een probleem, zeker nu in de Eerste Kamer een wetswijziging is aangenomen om de mogelijkheden voor medisch-wetenschappelijk met kinderen te verruimen en meer kinderen de vraag kunnen krijgen of ze aan zo’n onderzoek willen meedoen.

Geïnformeerde toestemming?

Kinderen tussen de 12 en 16 kunnen goed meebeslissen over onderzoeksdeelname, zo stelt de regering, en dus is het gerechtvaardigd om ze deze keuze voor te leggen. Maar dan moeten kinderen wel begrijpen waar ze over kunnen kiezen. En dat is dus niet altijd het geval. Verschillende internationale onderzoeken tonen aan dat kinderen niet goed op de hoogte zijn. Zo blijken ze niet te begrijpen wat er gaat gebeuren in het onderzoek, wat de risico’s van deelname zijn, of dat ze het recht hebben om hun deelname tussentijds te beëindigen. Soms zijn ze zich zelfs niet bewust dat hun medische behandeling onderdeel is van een medisch-wetenschappelijk onderzoek.

Kloof

Hoe dat kan, ondanks dat de kinderen informed consent materiaal krijgen, vat onderzoeker Julie Green kernachtig samen: ‘People with the highest skills prepare written information for families, many of which have simple or minimum levels of literacy competency’.

Kortom, er is een kloof tussen de hoogopgeleide volwassenen die de informatie maken, en de ontvangers ervan: de kinderen. Dat blijkt ook uit ons onderzoek naar de huidige gebruikte onderzoeksinformatie in twee grote medische centra in Nederland. Het leesniveau van de informatie voor kinderen is zelfs nog moeilijker dat het leesniveau dat de CCMO aanraadt bij informatie voor volwassenen! Bovendien nodigt het materiaal niet uit tot lezen, zo zeggen ook kinderen zelf: ’Ik vind dat het er wat leuker uit mag zien want zo raak je snel afgeleid omdat het zo saai is.’ En ‘Je kan zien dat dit geschreven is door een volwassene’.

Kinderen zijn de experts

Genoeg reden dus om nieuwe onderzoeksinformatie te ontwikkelen. Maar hoe kan die dan wél aansluiten bij kinderen? Logisch, door kinderen zelf te laten meedenken. Zij zijn immers de experts wat betreft hun eigen begrip, perspectieven en voorkeuren.

We maakten een stripboek, een bewezen effectieve manier om medische informatie begrijpelijk te brengen. Meer dan 200 kinderen droegen bij aan de ontwikkeling van de strip. Zij leverden input en feedback over de inhoud, begrijpelijkheid en aantrekkelijkheid van de informatie. In verschillende rondes hebben we het materiaal aangepast en opnieuw aan kinderen voorgelegd. Ook consulteerden we kinderartsen, onderzoeksverpleegkundigen en ouders. Zij gaven input over de bruikbaarheid van de informatie in de praktijk, en de mogelijkheid om de strip te gebruiken bij gesprekken in het gezin.

Empoweren

Het eindresultaat is een stripboek waarin elk hoofdstuk een onderzoeksconcept behandelt, dat vervolgens met invuloefeningen kan worden verwerkt. De hoofdpersoon van het verhaal, Anne, is gediagnosticeerd met de Groeneneuzengriep. Het gebruik van deze fictieve ziekte maakt het verhaal toegankelijk voor zowel gezonde kinderen als kinderen met verschillende aandoeningen. Anne krijgt de vraag of ze wil meedoen aan een medisch-wetenschappelijk onderzoek. Samen met haar ouders stelt zij allerlei vragen en krijgt van haar arts meer uitleg. Zo vertelt de arts wat onderzoeksdeelname inhoudt, en worden onderzoeksconcepten zoals vrijwilligheid, anonimiteit en randomiseren uitgelegd op een begrijpelijke manier. Ook de vraag waarom we onderzoek doen met kinderen komt aan bod.

Het resulterende stripverhaal zorgt voor een beter begrip bij kinderen, en, zo blijkt, vaak ook bij ouders. Met deze begrijpelijke informatie kunnen we kinderen empoweren in hun beslissing over onderzoeksdeelname. Alleen wanneer we dat doen, kunnen we spreken van echte geïnformeerde toestemming (informed consent) en kunnen we kinderen oprecht betrekken bij beslissingen in het gedeelde toestemmingsproces.

Het stripboek is tegen verzendkosten op te vragen bij strip.informed.consent@gmail.com. Mochten er grote aantallen gewenst zijn, dan kan dat tegen betaling van de kostprijs, die ligt vanaf 75 ct per boekje.

Dr. Ronella Grootens

Dr. Ronella Grootens is onderzoeker wetenschapscommunicatie bij het Athena Instituut, VU Amsterdam. Zij ontwikkelde de strip als onderdeel van haar promotie-onderzoek Targeted Informed Consent – Empowering minors in medical-scientific research, aan de Universiteit Leiden, afd. Science Communication & Society.

Tips van kids: ‘de zorg door onze ogen’. Kinderadviesraden in gesprek

Vijf ziekenhuizen volgen voorbeeld kinderadviesraad Amalia kinderziekenhuis

Op vrijdag 18 november is in het kader van de internationale dag van de rechten van het kind door Stichting Kind en Ziekenhuis samen met het Radboudumc Amalia kinderziekenhuis de eerste gezamenlijke werkconferentie voor alle kinderadviesraden van zorgorganisaties in Nederland georganiseerd. Prinses Laurentien is tijdens deze conferentie ook in gesprek gegaan met kinderen van de verschillende kinderadviesraden.

In 2013 startte het Radboudumc Amalia kinderziekenhuis als eerste met een Kinderadviesraad. Deze Kinderadviesraad is in samenwerking met Stichting Kind en Ziekenhuis opgezet, in de hoop dat anderen dit goede voorbeeld zouden volgen Al snel kwamen uit hele land vragen over hoe je een kinderadviesraad kunt oprichten. Om deze vragen te beantwoorden is op 20 november 2015, in samenwerking met de Stichting Kind en Ziekenhuis, de werkconferentie “ik zie, ik zie, wat jij niet ziet” georganiseerd. Zestig zorgorganisaties waren aanwezig en hebben handvatten gekregen om aan de slag te gaan.

Ervaringen delen Inmiddels hebben vijf andere (kinder)ziekenhuizen het voorbeeld van het Amalia gevolgd: het Sophia kinderziekenhuis, het Wilhelmina kinderziekenhuis, het Beatrix ziekenhuis, het Ijsselland ziekenhuis en het Prinses Maxima Centrum. Tijdens de werkconferentie hebben de kinderadviesraden zich aan elkaar gepresenteerd en ervaringen uitgewisseld. Samen is gezocht naar overstijgende thema’s. Stichting Kind en Ziekenhuis zal het komende jaar het voortouw nemen om met deze thema’s aan de slag gaan. De top 3 gekozen door de kinderen is Privacy, Eten en Communicatie. Begin volgend jaar zal uitgebreid aan alle zorgorganisatie in Nederland een terugkoppeling plaatsvinden van deze punten. En de werkconferentie voor kinderadviesraden zal vanaf nu een jaarlijks event worden.

De boodschap die Prinses Laurentien meegaf aan de kinderen was “kinderen zijn nog steeds zuiver dus wij hebben kinderen en jongeren nodig als volwassenen.”

Dit brengt de prinses in de praktijk via het werk van haar Stichting Missing Chapters

Oprichten Kinderadviesraad

Voor alle zorgorganisaties die een kinderadviesraad op willen richten is een handreiking ‘Oprichten KinderAdviesRaad + Do’s & Don’ts ’ gemaakt. De handreiking is te downloaden via www.kindenziekenhuis.nl/kinderadviesraad

groepsfoto 5 kinderadviesraden
groepsfoto 5 kinderadviesraden

 

 

Kinderen geven fantastisch advies

Als je wilt weten wat kinderen belangrijk vinden: vraag het ze dan gewoon. Kinderen kunnen prima hun mening geven over de zorg in het ziekenhuis. Daarom is Kind & Ziekenhuis blij dat steeds meer ziekenhuizen een kinderadviesraad instellen. De afgelopen maanden kwamen er drie bij: Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam, IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel en Beatrix Kinderziekenhuis in Groningen.

Joke Boonstra van het IJsselland: “We vinden het in ons ziekenhuis logisch dat we rekening houden met de wensen van verschillende patiënten. Kinderen hebben nu eenmaal een andere belevingswereld dan bijvoorbeeld onze ouderen, en een ziekenhuisbezoek kan veel indruk maken. We vinden het ontzettend leuk dat deze adviseurs ons willen helpen om de zorg zo goed mogelijk in te richten.” Zoals de kinderen van de adviesraad van het Sophia zeggen: “Het Sophia is een goed ziekenhuis, maar het kan altijd beter.” Daar is Kind & Ziekenhuis het van harte mee eens. We hopen dat nog veel meer ziekenhuizen een kinderadviesraad instellen naar voorbeeld van de door ons en het Amalia kinderziekenhuis (Radboudumc) eerste ingestelde kinderadviesraad van Nederland.

Lees ook het eerdere bericht over de kinderadviesraad van het Sophia kinderziekenhuis.

Virtueel thuis met speciale bril

Virtueel thuis met speciale bril

Op de kinderafdeling van Máxima Medisch Centrum in Veldhoven kunnen kinderen via een speciale bril contact houden met familie en vrienden. Via een liveverbinding kijken ze 180 graden rond in hun huis, klas of op elke andere locatie waar een camera is aangesloten.

Door de bril blijven kinderen tijdens hun opname in het ziekenhuis betrokken bij wat er thuis gebeurt. Ze kunnen hun familie zien, horen en met ze praten. Dat zou goed zijn voor het welzijn van de kinderen en hun herstel versnellen. Of dat ook echt zo werkt, wordt bepaald met enquêtes onder kinderen en familieleden, expertinterviews met patiënten en zorgpersoneel, en met een medischwetenschappelijk onderzoek naar het welzijn van patiënten. Bij bewezen succes wordt de bril ook op andere afdelingen in het ziekenhuis geïntroduceerd.

Het systeem wordt VisitU genoemd en is ontwikkeld door arts-onderzoeker Stefan van Rooijen, met ondersteuning van het Radboud REshape Innovation Center in Nijmegen, een centrum dat jonge artsen aanspoort tot innovaties in de zorg. Stefan van Rooijen: “In de bril zit een smartphone die via een speciale app live in verbinding staat met een 180-gradencamera. Die camera kan overal staan. Thuis, bij vrienden, maar bijvoorbeeld ook op school. Jonge patiënten kunnen de verbinding gebruiken om virtueel lessen te volgen.”

Realistisch

Kinderarts Bas Zegers heeft de virtuele bril getest en is enthousiast. “De beleving is realistisch, de bril geeft kinderen het gevoel dat ze thuis zijn. Dat is een prettige ervaring.” De kinderarts denkt dat de uitvinding het lichamelijk herstel van kinderen ten goede komt en heeft hiervoor samen met de afdeling medische psychologie van het Radboudumc een wetenschappelijk onderzoek opgezet. “Zeker voor jonge kinderen is een ziekenhuisopname stressvol. Positieve invloeden zoals met VisitU zijn belangrijk omdat ze zorgen voor de aanmaak van endorfine in de hersenen. Ze voelen zich daardoor veiliger en gelukkiger, wat het lichamelijk herstel bevordert.”

Uit een enquête onder patiënten en ouders blijkt volgens Máxima Medisch Centrum dat de virtuele bril in een behoefte voorziet. Stefan van Rooijen: “Als ouder wil je je kind beschermen en er voor je kind zijn, maar niet iedereen is in staat om elke dag naar het ziekenhuis te komen. VisitU brengt ouders en kinderen bij elkaar.” Zeventig procent van de ondervraagde ouders is ervan overtuigd dat de bril het herstel van hun kind zal bevorderen.

VisitU wordt de komende maanden verder ontwikkeld. Van Rooijen: “Het kan ook een uitkomst zijn voor oudere patiënten die gehecht zijn aan hun vertrouwde omgeving en hun dagelijkse leven zo ‘echt’ mogelijk willen voortzetten.”

Máxima Medisch Centrum