Zorg van 20-wekenecho tot ver in de volwassenheid

Een vrouw van 54 jaar gaat naar de kinderarts omdat ze een aangeboren chronische ziekte heeft. Een beetje vreemd? Niet voor kinderlongarts Kors van der Ent. De levensverwachting van mensen met aangeboren aandoeningen zoals cystic fibrosis is drastisch gestegen. Dat maakt een totaal andere organisatie van de medische zorg noodzakelijk. UMC Utrecht schakelt langzamerhand over op levensloopgeneeskunde: zorg voor patiënten vanaf de 20-wekenecho tot ver in de volwassenheid. De muren tussen de ziekenhuizen voor volwassenen en kinderen worden flexibel.

Tot nu toe is de zorg in het ziekenhuis verdeeld in twee groepen: nul tot achttien jaar en achttien jaar en ouder. Kinderen van achttien jaar worden overgeheveld naar een arts voor volwassenen, want zo is het ziekenhuis nu eenmaal georganiseerd. Daarmee ga je voorbij aan wat patiënten nodig hebben, vindt Kors van der Ent. Hij is kinderlongarts in het Wilhelmina Kinderziekenhuis, hoogleraar kinderlongziekten en voorzitter van het programma Child Health van UMC Utrecht. “We moeten de organisatie van de zorg aanpassen aan de enorme veranderingen in de kindergeneeskunde. Twintig jaar geleden overleden patiënten met cystic firosis (CF) op jonge leeftijd, tegenwoordig blijven ze bijna allemaal leven. Kinderen met een aangeboren hartgebrek worden volwassen, veel te vroeg geboren kinderen, kinderen met kanker. Tot voor kort hadden we geen idee dat de helft van de patiënten met CF ook suikerziekte zou ontwikkelen en dat ze een hoge kans hebben op botontkalking. Om hun vruchtbaarheid maakten we ons niet zo druk, want dat was niet aan de orde. Nu wel.”

“Tot voor kort hadden we geen idee dat de helft van de patiënten met CF ook suikerziekte zou ontwikkelen en dat ze een hoge kans hebben op botontkalking.”

Kinderartsen hebben er een nieuwe groep patiënten bijgekregen waarvan ze zich moeten afvragen welke complicaties hun ziekte later zal hebben en wat de gevolgen van medisch handelen zijn op de lange termijn. “Dat is de eerste pilaar van levensloopgeneeskunde”,
zegt Van der Ent. “Onze patiënten worden veel ouder dan voorheen, maar ze houden dezelfde gezondheidsproblemen als in hun kindertijd. We krijgen ook jongere patiënten, want bijvoorbeeld aangeboren hartafwijkingen worden al bij de 20-wekenecho gediagnosticeerd. Baby’s krijgen een nieuwe hartklep, maar nu blijkt dat die rond achttien jaar te klein wordt. Dus moeten we misschien besluiten dat het goed is om patiënten rond hun tiende levensjaar weer een nieuwe hartklep te geven. Als kinderartsen moeten we het ziektebeloop van voor de geboorte tot ver in de volwassenheid kunnen volgen. Dat heeft vergaande consequenties voor samenwerkingen die je aangaat, voor
wat je doet en voor de manier waarop je patiënten volgt en met ze meedenkt.”

Regie

De tweede pilaar van de levensloopgeneeskunde is volgens Van der Ent: oog hebben voor de psychosociale ontwikkeling van de patiënt. “Jarenlang hebben we ziekte als een bedreiging gezien, iets wat afbreuk doet aan wat kinderen kunnen. Nu gaan we uit van wat de patiënt nog wel kan, en hoe hij of zij die mogelijkheden op de lange termijn zo goed mogelijk kan inzetten. We zijn niet meer alleen bezig met het verminderen van de pijn en het verdriet dat een ziek kind nu heeft, maar we denken na over hoe we chronisch zieke kinderen kunnen helpen om evenwichtige en gelukkige volwassenen te worden, met of
zonder fysieke beperkingen. We stimuleren onze patiënten om de regie over hun leven te nemen, zodat ze zich als volwassene staande kunnen houden.”

Volwassenen

De zorg voor kinderen en volwassenen ligt steeds meer in elkaars verlengde, of loopt door elkaar. De oudste patiënt van Van der Ent is een vrouw van 54 jaar met CF. “Ze kan bij mij terecht omdat we als kinderartsen kennis hebben over zeldzame, aangeboren afwijkingen waar artsen voor volwassenen niets van weten omdat die patiënten vroeger niet volwassen werden.

We hebben technieken en medicijnen voor kinderen ontwikkeld waar ook volwassenen extreem goed op kunnen reageren. Iemand met een aangeboren hartgebrek kan misschien beter geopereerd worden door een kinderhartchirurg, omdat die de juiste kennis en apparatuur heeft. Het gaat dus niet meer om leeftijd, maar om wat zinnig is voor de patiënt. Artsen voor volwassenen zien ook ziektebeelden die ze vroeger nooit zagen en waar ze geen ervaring mee hebben. Een patiënt met twintig jaar medische ervaring is veel meer deskundige op het gebied van zijn ziekte en leven dan die dokter misschien gewend is.”

Voorlopig ligt de focus voor levensloopgeneeskunde bij vier groepen: kinderen met problemen rond de geboorte, zeldzame aangeboren afwijkingen, ernstige ontstekingsziekten zoals reuma en CF, kinderen met kanker. Van der Ent: “We streven er bijvoorbeeld naar om de cardiologen voor volwassen patiënten met aangeboren afwijkingen, samen te laten werken met de kindercardiologen. We zetten de gegevens van kinderen en volwassenen in dezelfde database en bij onderzoek naar bepaalde ziektes streven we naar één onderzoeksteam voor zowel kinderen als volwassenen. Het wordt een continuüm van zorg van voor de geboorte tot ver in de volwassenheid. De organisatie van de zorg wordt afgestemd op wat goed is voor de patiënt, in plaats van wat handig is voor de organisatie.”

Onderzoek psycholoog Renske Schappin

Problemen voorspellen en voorkomen

Kinderen met een hartafwijking lopen risico op hersenschade door zuurstofgebrek. Dat begint al tijdens de zwangerschap en kan worden verergerd tijdens de hartoperatie na de geboorte. In het multidisciplinaire Congenital Heart Disease Lifespan Project wordt onderzocht wanneer welke schade ontstaat, wat de gevolgen zijn en hoe schadelijke gevolgen beperkt kunnen worden. Psycholoog Renske Schappin doet onderzoek naar wat er gebeurt met ouders, als ze bij de 20-wekenecho horen dat hun kind een ernstige hartafwijking heeft en nog voor de eerste verjaardag geopereerd moet worden. Het onderzoek is begonnen in 2016 en zal veertig jaar duren. Wat is het doel? Renske Schappin: “We willen kinderen een zo goed mogelijke start geven, in dit geval door psychologische ondersteuning. We zien dat een deel van de kinderen met een aangeboren hartaandoening psychische problemen ontwikkelt. Ze hebben moeite met plannen en abstract denken, vaardigheden die belangrijk zijn op de middelbare school. We willen zo vroeg mogelijk voorspellen welke kinderen problemen ontwikkelen, zodat we die kunnen voorkomen. Dat kan alleen als we kinderen en ouders eerst heel lang volgen en dan terugkijken: waarin verschillen kinderen en ouders waarmee het wel of niet goed ging? Kunnen we die verschillen al heel vroeg zien? Uiteindelijk willen we bepalen welke bestaande en nieuwe interventies voor deze groep toegevoegde waarde kunnen hebben. We kijken naar ouders omdat we verwachten dat een deel van hen posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontwikkelt. Als ouders getraumatiseerd zijn, is dat slecht voor de hechting met het kind en maakt het een minder goede start. Dat heeft invloed op hoe het kind zich ontwikkelt.” Het onderzoek begint na de 20-wekenecho met een vragenlijst voor ouders over hun verwachtingen over hun eigen toekomst en die van hun kind. Schappin: “Van beide ouders willen we iets weten over geschonden verwachtingen. Als je hoort dat je een kind met een ernstige aandoening krijgt, staat je wereld op zijn kop. Sommige ouders moeten beslissen of ze de zwangerschap afbreken. Het leven loopt in alle gevallen heel anders dan ouders hadden gedacht. Hun kind moet in het ziekenhuis blijven en familie en vrienden reageren terughoudend. Sommige ouders zijn niet veerkrachtig genoeg om daarin hun weg te vinden en krijgen psychische klachten. Ik denk dat geschonden verwachtingen de kern zijn van hoe mensen verder gaan. Naast vragenlijsten krijgen alle ouders een gesprek met een maatschappelijk werker, voor als de vragen gedachten en negatieve gevoelens oproepen. We doen dus niet alleen onderzoek, maar bieden ook zorg voor ouders en kinderen.” Schappin benadrukt dat ze overlegt en samenwerkt met collega’s uit alle disciplines die met deze groep kinderen en ouders te maken hebben. “Het gaat er bij levensloopgeneeskunde om dat je als collega’s ziet wat het gedeelde belang is: het stimuleren van de ontwikkeling van het kind, en dus niet je eigen beroep of afgebakende terrein. Bij alles wat je doet, weeg je het toekomstperspectief van het kind mee.”

Informatie over het onderzoek: r.schappin@umcutrecht.nl

“We denken na over hoe we chronisch zieke kinderen kunnen helpen om evenwichtige en gelukkige volwassenen te worden, met of zonder fysieke beperkingen.”

Levensloopgeneeskunde is onderdeel van het universiteitsbrede programma Child Health, waar de divisie vrouw en baby onder valt, maar ook delen van onder meer genetica, hersenen en heelkundige specialismen. Allemaal artsen die hun thuisbasis in het ziekenhuis voor volwassenen hebben, maar steeds meer ook in het WKZ werken.

“Dat is spannend,” zegt Van der Ent, “het vraagt veel van onze flexibiliteit en veranderingsgezindheid, maar het voelt goed omdat we zien dat patiënten er baat bij hebben. Voor zo’n patiënt van 54 jaar is het prettig dat ze eindelijk de beste medicijnen krijgt, maar wij krijgen er ook veel voor terug. Met haar ervaringen en reflecties kunnen we de zorg in de toekomst verbeteren. We moeten dit echt samen met de patiënten doen.”

Met levensloopgeneeskunde kiest het ziekenhuis ervoor om het grootste deel van de zorg niet meer te steken in patiënten met blindedarmontsteking of longontsteking die na vier, vijf weken weer genezen zijn, maar in chronisch zieken die op de lange termijn de meeste zorg nodig hebben. Van der Ent: “We kijken bijvoorbeeld naar de rol van spel in de ontwikkeling van kinderen. Spelen is voor kinderen competenties opdoen voor het latere leven. Kinderen met reuma en pijn in hun gewrichten, met CF, een tekort aan lucht of een hartgebrek kunnen misschien niet goed meedoen met gym en voetbal of hockey en zitten dagenlang op de bank te gamen. Als je ziet dat ze op lange termijn minder weerbaar zijn of op school vaak gepest worden omdat ze niet de beste zijn met voetbal, moeten we daar als kinderziekenhuis misschien wel extra aandacht aan besteden. We kunnen hun fysieke weerbaarheid trainen door ze bijvoorbeeld op de trampoline te laten spelen. Dat kan consequenties hebben voor hoe we het gebouw inrichten. We proberen te bedenken waar we kinderen het meest mee helpen en dat te onderbouwen.”

“Alles en iedereen moet de attitude hebben: wat we nu doen heeft consequenties voor morgen en overmorgen en de jaren erna.”

Om het begrip levensloopgeneeskunde bij iedereen ‘tussen de oren te krijgen’ heeft het UMC in mei een Child Healthweek georganiseerd. Van der Ent: “We willen dat alle medewerkers ervaren wat patiënten in het ziekenhuis meemaken. We vragen ook aan medewerkers om twee weken het regiem te volgen dat sommige patiënten hun leven lang moeten volgen: drie keer per dag pillen nemen, nooit alcohol drinken. De uitkomst was tijdens het schrijven van dit verhaal nog niet bekend, maar Van der Ent kon het wel voorspellen: “Dat lukt maar weinig medewerkers. Het is heel makkelijk om te zeggen tegen een jongen van zestien: ‘jij moet gewoon je pillen slikken want anders is je longfunctie heel erg slecht als je 25 bent’, maar zie maar eens hoe moeilijk dat is. We hopen meer invoelend vermogen tussen de oren van de medewerkers te krijgen doordat ze ervaren dat zo’n levenslange last echt een enorme last is. Alles en iedereen moet de attitude hebben: wat we nu doen heeft consequenties voor morgen en overmorgen en de jaren erna. We moeten dus nu allemaal investeren in de toekomst van onze patiënten. Ik denk dat we daar breed de noodzaak van zien. We hebben het echt met ons allen in sessies met patiënten en patiëntenorganisaties bedacht. Voor ons is het ook een levenslooptraject. We willen met onze patiënten meegroeien en elkaar stimuleren.”

Heleen Schoone

Programma Dynamics of Youth

Dynamics of Youth is een project van de faculteit Sociale Wetenschappen van Universiteit Utrecht. De onderzoekers kijken onder meer naar factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van kinderen: welke kinderen ontwikkelen ADHD, welke lopen het risico dat ze buiten de boot vallen in de klas of gepest worden, welke kinderen ontsporen in hun puberteit of erna. De gegevens van gezonde en zieke kinderen worden naast elkaar gelegd om te kunnen vaststellen wat de impact is van chronische ziekte op onder meer uitval en vertraging op school en op Citoscores. In het programma wordt samengewerkt met de gemeente Utrecht. De kennis van de gemeente wordt gekoppeld en gespiegeld aan de kennis van het ziekenhuis over chronisch zieke kinderen. Zo kunnen risicofactoren benoemd worden voor bijvoorbeeld kinderen met een aangeboren hartafwijking. Misschien is de plek waar een kind opgroeit een nog belangrijker risicofactor dan de chronische ziekte. Ook het Trimbos Instituut is een samenwerkingspartner. Een keer in de vier jaar houdt het instituut een landelijk onderzoek als onderdeel van een groot internationaal onderzoek naar hoe gelukkig kinderen zijn, alcohol- en drugsgebruik en seksuele gewoontes. UMC Utrecht wil weten wat de rol van dergelijke factoren is op chronische ziekten en andersom. Door de gegevens te vergelijken met andere landen kan het ziekenhuis ook beoordelen of etniciteit een risicofactor is voor de langetermijnprognose en ontwikkeling van chronische ziekten. Met samenwerkingspartner Nutricia wordt onderzocht wat het effect van voeding is op chronische ziekten. Het is bijvoorbeeld bekend dat kinderen die overvoed worden in de eerste drie levensmaanden, een hoog risico hebben op astma en luchtwegproblemen en cardiovasculaire complicaties. Op initiatief van de Europese Unie zijn netwerken opgericht voor zeldzame ziekten waarin Europese ziekenhuizen hun expertise delen. Het WKZ heeft de leiding gekregen in de netwerken voor reuma en neurologische aandoeningen en in het netwerk voor cystic fibrosis.

Benjamin: Hart op Weg

Jeannine Greijdanus en Dick Buitenhuis zijn de ouders van Benjamin, een vijfjarige jongen met een ernstige aangeboren hartafwijking. Een paar weken na de geboorte kreeg hij een hartkatheterisatie en na drie maanden werd Benjamin aan zijn hart geopereerd. Het gezin doet vanaf de start in 2013 mee met het Hart op Wegspreekuur in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Doel van het spreekuur is het structureel volgen van de lichamelijke, cognitieve en motorische ontwikkeling van kinderen met de hartafwijkingen Tetralogie van Fallot of Transpositie van de Grote Vaten, zodat eerder en effectiever kan worden ingegrepen. Vanaf zes jaar wordt ook de fysieke fitheid van de kinderen geëvalueerd. Jeannine: “Op het spreekuur wordt liefdevol naar Benjamin gekeken en veel aan ons gevraagd: wat wij aan hem zien, welke vragen we hebben. Eerst luisteren ze naar ons, daarna geven ze hun kijk op Benjamin. Soms gaat hij ook naar de kinderfysiotherapeut. Die bekijkt zijn motoriek en hoe hij in zijn vel zit. Aan heel kleine dingen zien ze de invloed die de hartafwijking en de operatie daarna op hem hebben. Hij wordt nauwkeurig in de gaten gehouden en krijgt hulp als dat nodig is voor zijn gezondheid.”

Zorg van 20-weken tot ver in volwassenheidDick: “Ze hebben begrip voor onze vragen en zorgen. Ik was liever niet in het WKZ geweest, maar ik ga er wel met een fin gevoel naartoe.” Dick: “Onze zoon Noah was vijf toen Benjamin geboren werd. Hij heeft alles heel bewust meegekregen, de spanning vooraf en in de tijd van de operatie. Jeannine: “Ook hij is in het WKZ fantastisch bij alles betrokken. Vlak na de geboorte legde een verpleegkundige hem alles uit en mocht hij Benjamin heel zachtjes aanraken. Daardoor is Noah een echte grote broer geworden, heel zorgzaam.” Jeannine: “We kijken uit naar de oproepen voor Hart op Weg. Zelf zien we wel hoe het gaat, maar we willen het toch graag horen van mensen die het weten. We vinden het heel mooi dat ze niet alleen naar zijn lichamelijke ontwikkeling kijken, maar ook naar zijn algemene ontwikkeling.” Jeannine: “Groep 1 was moeilijk omdat hij een vroege leerling is. Daarom doet hij het eerste jaar over. Nu komt hij goed mee. Door extra gymlessen kan hij nu ook beter meedoen met gym, en hij is begonnen met zwemles.” Dick: “En hij kan prima fitsen.” Jeannine: “Het mooiste is dat hij in het leven staat alsof niemand hem iets kan maken. Hij is een zonnetje in ons leven.”

OK-jasjes jongeren

Nieuw ontwerp OK-jasjes Wilhelmina Kinderziekenhuis

Co-creatie: voor en door kinderen en zorgprofessionals

Veel patiënten zijn niet tevreden met de OK-jasjes van het WKZ. Dit geluid bereikte onder meer via de Kinderraad de leiding van de divisie Vitale Functies van het UMC Utrecht. De kinderen gaven aan: ‘Zit niet lekker’, ‘Niet mooi’ en ‘Voel me naakt, je ziet mijn blote billen.’ De zorgprofessionals letten vooral op functionele eisen: makkelijk open en dicht gaan, makkelijk uit te trekken en een jasje mag decubitus niet in de hand werken. Hoe kom je tot een nieuw ontwerp voor OK-jasjes waar zowel kinderen als zorgprofessionals blij mee zijn? De divisieleiding gaf deze opdracht aan industrieel ontwerper Thomas Latcham. Het werd zijn afstudeerproject aan de TU Delft (Design for Interaction). De uiteindelijke oplossing is dat kinderen zelf een keuze kunnen maken uit twee OK-jasjes en drie zakjes die ze zelf kunnen vormgeven. Bregt Camphuijzen, teamleider Recovery: “Zo krijgt de patiënt meer controle over het operatietraject. Een kind heeft zijn eigen jasje gekozen en het zakje persoonlijk gemaakt; dat vergroot het gevoel van veiligheid.”

Beleving en functie

Latcham startte in augustus 2016 met zijn ontwerpproject voor een nieuw OK-jasje. “Een ontwerp voor gebruikers en door gebruikers, dat is de essentie” geeft Latcham aan. “Door gebruikers te betrekken bij elke stap in het ontwerpproces, krijg je oplossingen die aansluiten bij de belangen van kinderen én van zorgprofessionals.”

Latcham begon met observaties en hij liep mee op OK’s, Recovery en enkele kinderafdelingen: “Hoe gaat het nu? Wat vinden medewerkers goed en minder goed aan de huidige OK-jasjes? Vervolgens heb ik met de Kinderraad gesproken over de huidige OK-jasjes en hun wensen voor een nieuw ontwerp. Met al die informatie van de gebruikers krijg je een goed beeld van de beleving, de wensen en de functionele eisen.”

Kinderen zijn de experts

Kinderen misten vooral een gevoel van controle. Latcham: “Een kind vertelde mij: ‘De jas is niet van mij, het is iets van het ziekenhuis.’ Ze voelde zich niet veilig en zelfverzekerd in het huidige OK-jasje. Op basis van alle ervaringen kwam ik op vier belevingseisen: controle, eigen, veiligheid en zelfverzekerdheid. Daarmee ben ik aan de slag gegaan. Of beter gezegd: de kinderen mochten los gaan, want dat is de essentie van co-creatie. Ik zie kinderen als experts: zij weten wat ze willen en van hen kan ik dus leren. Ik betrek kinderen daarom actief bij het proces van bedenken en maken: ze mogen hun hersenen en hun handen gebruiken. Kinderen doen mee in elke stap in het designproces. Mijn rol is die van facilitator en vertaler van hun wensen en behoeften. Ik denk dat er veel te winnen valt bij het ontwerpen van producten en diensten voor kinderen door hen op deze manier te betrekken bij het proces.”

Naar mama ruiken

Latcham ging aan de slag met patiënten uit het WKZ en met een schoolklas: “De kinderen maakten mindmaps en tekeningen, terwijl we een gelijkwaardig gesprek voerden. Uiteindelijk gingen ze met poppen en stof aan de slag. Als je kinderen iets laat doen of maken, kom je tot diepere kennis van hun beleving. Op papier schreef een meisje: ‘Ik wil dat het jasje ruikt naar mama.’ Toen ze met stof en de pop aan het knutselen was, vertaalde ze die geur, dat gevoel van veiligheid, naar het opschrijven van de namen van haar vrienden op het jasje.”

Drie concepten

Uit alle tekeningen, beschrijvingen en tientallen jasjes destilleerde Latcham drie concepten: kinderen moeten zelf iets te kiezen hebben, ze willen zelf iets persoonlijk kunnen maken en ze willen deel uitmaken van een groter geheel. “Met deze drie voorstellen ging ik weer terug naar kinderen”, vertelt Latcham. “Wat is goed en wat is niet goed? Uiteindelijk was niet één concept de winnaar, maar de combinatie van deze drie. Verrassend.”

Petra den Hollander

Zieke kinderen zijn bovenal kinderen

Latcham werkt graag met kinderen: “Ze nemen geen blad voor hun mond en zeggen als ze iets ‘shit’ vinden. Ze zijn creatief en denken out of the box, buiten de kaders die wij als volwassenen neerzetten. Wat me verder opviel, was dat de kinderen uit de schoolklas zich heel makkelijk konden inleven in de patiënten. De grootste les is echter dat zieke kinderen bovenal kinderen zijn. Dat moeten we niet vergeten. Ook al is het de tiende operatie, moet hij of zij herstellen van de chemotherapie: een kind wordt blij als hij of zij iets mag maken of zoals een kind het verwoordde: ‘ik heb even vakantie van het ziek zijn’.”

Feedback zorgprofessionals

De volgende stap was de emotionele behoefte van de kinderen vertalen naar de functionele eisen voor de OK. Latcham: “Ook de stem van de zorgprofessional moet je terugzien in het OK-jasje. Ik ben met verschillende fysieke prototypen van ontwerpen langs geweest: wat vinden jullie goed en wat niet goed? De feedback van de medewerkers heb ik steeds meegenomen om nieuwe prototypes te maken. Na drie rondes bij de zorgprofessionals had ik een ruw eindmodel. Met dit model ging ik weer terug naar de kinderen. Daar kwamen nog een paar wijzigingen uit die ik nog heb verwerkt.”

Het bijna definitieve ontwerp is getest tijdens een echte operatie. Latcham: “Dit was weliswaar een oogoperatie, maar het jasje voldeed aan de emotionele behoeften van de patiënte. Functioneel lijkt het goed, al moeten we nog verder testen met andere operaties.”

Ok-jasjes: twee outfits, drie zakjes

Tijdens het bezoek vóór de operatie kan het kind uit drie zakjes met verschillende prints kiezen. Deze zakjes passen op het OK-jasje. Het kind neemt dit zakje mee naar huis en kan er op tekenen, kleuren, schrijven, of wat voor creatiefs dan ook. Na de operatie mag het kind het zakje mee naar huis nemen. Daarnaast kan het kind zelf vooraf een keuze maken uit twee OK-jasjes, waarvan een model met shorts.

“Het mooie van co-creatie is dat het geen weerstand, maar draagvlak schept”, evalueert Camphuijzen. “De medewerker en de patiënt voelen zich gehoord. Als kinderen een keuze hebben en zelf iets persoonlijks van hun jasje kunnen maken, voelen ze zich veiliger en zekerder. Het nieuwe ontwerp komt niet in de la te liggen. We zijn al met onze huisleverancier in gesprek en andere ziekenhuizen hebben interesse getoond.”

Bregt Camphuijzen
UMC Utrecht
B.Camphuijzen@umcutrecht.nl

irene-cecile-strip

Strip biedt begrijpelijke informatie over wetenschappelijk onderzoek voor kinderen én door kinderen

Een nieuwe strip helpt kinderen bij de beslissing over deelname aan medisch-wetenschappelijk onderzoek. De huidige onderzoeksinformatie is moeilijk te lezen, onaantrekkelijk en sluit niet bij kinderen aan. Daarom is nieuwe informatie ontwikkeld in samenwerking met kinderen.

‘Ik snap dit niet, ze denken dat sommige mensen een afwijkend gen hebben en dat de hormonen in het lichaam veranderen, alleen, verandert je hart dan in een long bijvoorbeeld?’. Zomaar een reactie van een kind van 12, na het lezen van onderzoeksinformatie over een onschadelijke genafwijking. Het is duidelijk, de informatie komt niet over. En dat is een probleem, zeker nu in de Eerste Kamer een wetswijziging is aangenomen om de mogelijkheden voor medisch-wetenschappelijk met kinderen te verruimen en meer kinderen de vraag kunnen krijgen of ze aan zo’n onderzoek willen meedoen.

Geïnformeerde toestemming?

Kinderen tussen de 12 en 16 kunnen goed meebeslissen over onderzoeksdeelname, zo stelt de regering, en dus is het gerechtvaardigd om ze deze keuze voor te leggen. Maar dan moeten kinderen wel begrijpen waar ze over kunnen kiezen. En dat is dus niet altijd het geval. Verschillende internationale onderzoeken tonen aan dat kinderen niet goed op de hoogte zijn. Zo blijken ze niet te begrijpen wat er gaat gebeuren in het onderzoek, wat de risico’s van deelname zijn, of dat ze het recht hebben om hun deelname tussentijds te beëindigen. Soms zijn ze zich zelfs niet bewust dat hun medische behandeling onderdeel is van een medisch-wetenschappelijk onderzoek.

Kloof

Hoe dat kan, ondanks dat de kinderen informed consent materiaal krijgen, vat onderzoeker Julie Green kernachtig samen: ‘People with the highest skills prepare written information for families, many of which have simple or minimum levels of literacy competency’.

Kortom, er is een kloof tussen de hoogopgeleide volwassenen die de informatie maken, en de ontvangers ervan: de kinderen. Dat blijkt ook uit ons onderzoek naar de huidige gebruikte onderzoeksinformatie in twee grote medische centra in Nederland. Het leesniveau van de informatie voor kinderen is zelfs nog moeilijker dat het leesniveau dat de CCMO aanraadt bij informatie voor volwassenen! Bovendien nodigt het materiaal niet uit tot lezen, zo zeggen ook kinderen zelf: ’Ik vind dat het er wat leuker uit mag zien want zo raak je snel afgeleid omdat het zo saai is.’ En ‘Je kan zien dat dit geschreven is door een volwassene’.

Kinderen zijn de experts

Genoeg reden dus om nieuwe onderzoeksinformatie te ontwikkelen. Maar hoe kan die dan wél aansluiten bij kinderen? Logisch, door kinderen zelf te laten meedenken. Zij zijn immers de experts wat betreft hun eigen begrip, perspectieven en voorkeuren.

We maakten een stripboek, een bewezen effectieve manier om medische informatie begrijpelijk te brengen. Meer dan 200 kinderen droegen bij aan de ontwikkeling van de strip. Zij leverden input en feedback over de inhoud, begrijpelijkheid en aantrekkelijkheid van de informatie. In verschillende rondes hebben we het materiaal aangepast en opnieuw aan kinderen voorgelegd. Ook consulteerden we kinderartsen, onderzoeksverpleegkundigen en ouders. Zij gaven input over de bruikbaarheid van de informatie in de praktijk, en de mogelijkheid om de strip te gebruiken bij gesprekken in het gezin.

Empoweren

Het eindresultaat is een stripboek waarin elk hoofdstuk een onderzoeksconcept behandelt, dat vervolgens met invuloefeningen kan worden verwerkt. De hoofdpersoon van het verhaal, Anne, is gediagnosticeerd met de Groeneneuzengriep. Het gebruik van deze fictieve ziekte maakt het verhaal toegankelijk voor zowel gezonde kinderen als kinderen met verschillende aandoeningen. Anne krijgt de vraag of ze wil meedoen aan een medisch-wetenschappelijk onderzoek. Samen met haar ouders stelt zij allerlei vragen en krijgt van haar arts meer uitleg. Zo vertelt de arts wat onderzoeksdeelname inhoudt, en worden onderzoeksconcepten zoals vrijwilligheid, anonimiteit en randomiseren uitgelegd op een begrijpelijke manier. Ook de vraag waarom we onderzoek doen met kinderen komt aan bod.

Het resulterende stripverhaal zorgt voor een beter begrip bij kinderen, en, zo blijkt, vaak ook bij ouders. Met deze begrijpelijke informatie kunnen we kinderen empoweren in hun beslissing over onderzoeksdeelname. Alleen wanneer we dat doen, kunnen we spreken van echte geïnformeerde toestemming (informed consent) en kunnen we kinderen oprecht betrekken bij beslissingen in het gedeelde toestemmingsproces.

Het stripboek is tegen verzendkosten op te vragen bij strip.informed.consent@gmail.com. Mochten er grote aantallen gewenst zijn, dan kan dat tegen betaling van de kostprijs, die ligt vanaf 75 ct per boekje.

Dr. Ronella Grootens

Dr. Ronella Grootens is onderzoeker wetenschapscommunicatie bij het Athena Instituut, VU Amsterdam. Zij ontwikkelde de strip als onderdeel van haar promotie-onderzoek Targeted Informed Consent – Empowering minors in medical-scientific research, aan de Universiteit Leiden, afd. Science Communication & Society.

Tips van kids: ‘de zorg door onze ogen’. Kinderadviesraden in gesprek

Vijf ziekenhuizen volgen voorbeeld kinderadviesraad Amalia kinderziekenhuis

Op vrijdag 18 november is in het kader van de internationale dag van de rechten van het kind door Stichting Kind en Ziekenhuis samen met het Radboudumc Amalia kinderziekenhuis de eerste gezamenlijke werkconferentie voor alle kinderadviesraden van zorgorganisaties in Nederland georganiseerd. Prinses Laurentien is tijdens deze conferentie ook in gesprek gegaan met kinderen van de verschillende kinderadviesraden.

In 2013 startte het Radboudumc Amalia kinderziekenhuis als eerste met een Kinderadviesraad. Deze Kinderadviesraad is in samenwerking met Stichting Kind en Ziekenhuis opgezet, in de hoop dat anderen dit goede voorbeeld zouden volgen Al snel kwamen uit hele land vragen over hoe je een kinderadviesraad kunt oprichten. Om deze vragen te beantwoorden is op 20 november 2015, in samenwerking met de Stichting Kind en Ziekenhuis, de werkconferentie “ik zie, ik zie, wat jij niet ziet” georganiseerd. Zestig zorgorganisaties waren aanwezig en hebben handvatten gekregen om aan de slag te gaan.

Ervaringen delen Inmiddels hebben vijf andere (kinder)ziekenhuizen het voorbeeld van het Amalia gevolgd: het Sophia kinderziekenhuis, het Wilhelmina kinderziekenhuis, het Beatrix ziekenhuis, het Ijsselland ziekenhuis en het Prinses Maxima Centrum. Tijdens de werkconferentie hebben de kinderadviesraden zich aan elkaar gepresenteerd en ervaringen uitgewisseld. Samen is gezocht naar overstijgende thema’s. Stichting Kind en Ziekenhuis zal het komende jaar het voortouw nemen om met deze thema’s aan de slag gaan. De top 3 gekozen door de kinderen is Privacy, Eten en Communicatie. Begin volgend jaar zal uitgebreid aan alle zorgorganisatie in Nederland een terugkoppeling plaatsvinden van deze punten. En de werkconferentie voor kinderadviesraden zal vanaf nu een jaarlijks event worden.

De boodschap die Prinses Laurentien meegaf aan de kinderen was “kinderen zijn nog steeds zuiver dus wij hebben kinderen en jongeren nodig als volwassenen.”

Dit brengt de prinses in de praktijk via het werk van haar Stichting Missing Chapters

Oprichten Kinderadviesraad

Voor alle zorgorganisaties die een kinderadviesraad op willen richten is een handreiking ‘Oprichten KinderAdviesRaad + Do’s & Don’ts ’ gemaakt. De handreiking is te downloaden via www.kindenziekenhuis.nl/kinderadviesraad

groepsfoto 5 kinderadviesraden
groepsfoto 5 kinderadviesraden

 

 

Kinderen geven fantastisch advies

Als je wilt weten wat kinderen belangrijk vinden: vraag het ze dan gewoon. Kinderen kunnen prima hun mening geven over de zorg in het ziekenhuis. Daarom is Kind & Ziekenhuis blij dat steeds meer ziekenhuizen een kinderadviesraad instellen. De afgelopen maanden kwamen er drie bij: Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam, IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel en Beatrix Kinderziekenhuis in Groningen.

Joke Boonstra van het IJsselland: “We vinden het in ons ziekenhuis logisch dat we rekening houden met de wensen van verschillende patiënten. Kinderen hebben nu eenmaal een andere belevingswereld dan bijvoorbeeld onze ouderen, en een ziekenhuisbezoek kan veel indruk maken. We vinden het ontzettend leuk dat deze adviseurs ons willen helpen om de zorg zo goed mogelijk in te richten.” Zoals de kinderen van de adviesraad van het Sophia zeggen: “Het Sophia is een goed ziekenhuis, maar het kan altijd beter.” Daar is Kind & Ziekenhuis het van harte mee eens. We hopen dat nog veel meer ziekenhuizen een kinderadviesraad instellen naar voorbeeld van de door ons en het Amalia kinderziekenhuis (Radboudumc) eerste ingestelde kinderadviesraad van Nederland.

Lees ook het eerdere bericht over de kinderadviesraad van het Sophia kinderziekenhuis.

Virtueel thuis met speciale bril

Virtueel thuis met speciale bril

Op de kinderafdeling van Máxima Medisch Centrum in Veldhoven kunnen kinderen via een speciale bril contact houden met familie en vrienden. Via een liveverbinding kijken ze 180 graden rond in hun huis, klas of op elke andere locatie waar een camera is aangesloten.

Door de bril blijven kinderen tijdens hun opname in het ziekenhuis betrokken bij wat er thuis gebeurt. Ze kunnen hun familie zien, horen en met ze praten. Dat zou goed zijn voor het welzijn van de kinderen en hun herstel versnellen. Of dat ook echt zo werkt, wordt bepaald met enquêtes onder kinderen en familieleden, expertinterviews met patiënten en zorgpersoneel, en met een medischwetenschappelijk onderzoek naar het welzijn van patiënten. Bij bewezen succes wordt de bril ook op andere afdelingen in het ziekenhuis geïntroduceerd.

Het systeem wordt VisitU genoemd en is ontwikkeld door arts-onderzoeker Stefan van Rooijen, met ondersteuning van het Radboud REshape Innovation Center in Nijmegen, een centrum dat jonge artsen aanspoort tot innovaties in de zorg. Stefan van Rooijen: “In de bril zit een smartphone die via een speciale app live in verbinding staat met een 180-gradencamera. Die camera kan overal staan. Thuis, bij vrienden, maar bijvoorbeeld ook op school. Jonge patiënten kunnen de verbinding gebruiken om virtueel lessen te volgen.”

Realistisch

Kinderarts Bas Zegers heeft de virtuele bril getest en is enthousiast. “De beleving is realistisch, de bril geeft kinderen het gevoel dat ze thuis zijn. Dat is een prettige ervaring.” De kinderarts denkt dat de uitvinding het lichamelijk herstel van kinderen ten goede komt en heeft hiervoor samen met de afdeling medische psychologie van het Radboudumc een wetenschappelijk onderzoek opgezet. “Zeker voor jonge kinderen is een ziekenhuisopname stressvol. Positieve invloeden zoals met VisitU zijn belangrijk omdat ze zorgen voor de aanmaak van endorfine in de hersenen. Ze voelen zich daardoor veiliger en gelukkiger, wat het lichamelijk herstel bevordert.”

Uit een enquête onder patiënten en ouders blijkt volgens Máxima Medisch Centrum dat de virtuele bril in een behoefte voorziet. Stefan van Rooijen: “Als ouder wil je je kind beschermen en er voor je kind zijn, maar niet iedereen is in staat om elke dag naar het ziekenhuis te komen. VisitU brengt ouders en kinderen bij elkaar.” Zeventig procent van de ondervraagde ouders is ervan overtuigd dat de bril het herstel van hun kind zal bevorderen.

VisitU wordt de komende maanden verder ontwikkeld. Van Rooijen: “Het kan ook een uitkomst zijn voor oudere patiënten die gehecht zijn aan hun vertrouwde omgeving en hun dagelijkse leven zo ‘echt’ mogelijk willen voortzetten.”

Máxima Medisch Centrum

Patiënt krijgt regie bij Persoonlijk Gezondheidsdossier

Patiëntenfederatie NPCF en Kind & Ziekenhuis willen meer zeggenschap voor patiënten. Daarom ontwikkelen ze een online persoonlijk gezondheidsdossier dat patiënten zelf kunnen beheren, als ze dat willen. Het PGD wordt nu op kleine schaal getest en zal in 2017 verder groeien.

Het PGD dat de patiëntenfederatie voor ogen staat, is iets anders dan het in 2011 afgeschoten Elektronisch Patiëntendossier (EPD). Dat was vooral een instrument voor zorgverleners, zegt Marcel Heldoorn. Heldoorn is teammanager digitale zorg van Patiëntenfederatie NPCF.

“Het was bedoeld om onderling informatie over patiënten uit te wisselen. Het PGD dat wij voor ogen hebben, is in de eerste plaats een hulpmiddel voor de patiënt.” Dat betekent dat de patiënt of wettelijk vertegenwoordiger bepaalt wat in een PGD wordt opgeslagen en met wie hij of zij die informatie deelt. Dat kunnen artsen en verpleegkundigen zijn, maar ook mantelzorgers of familieleden.

Het PGD dat de patiëntenfederatie voor ogen staat, is iets anders dan het in 2011 afgeschoten Elektronisch Patiëntendossier (EPD). Dat was vooral een instrument voor zorgverleners, zegt Marcel Heldoorn. Heldoorn is teammanager digitale zorg van Patiëntenfederatie NPCF. “Het was bedoeld om onderling informatie over patiënten uit te wisselen. Het PGD dat wij voor ogen hebben, is in de eerste plaats een hulpmiddel voor de patiënt.” Dat betekent dat de patiënt of wettelijk vertegenwoordiger bepaalt wat in een PGD wordt opgeslagen en met wie hij of zij die informatie deelt. Dat kunnen artsen en verpleegkundigen zijn, maar ook mantelzorgers of familieleden.

Fouten voorkomen

“De basis van het PGD is een digitale omgeving waarin patiënten kunnen beschikken over persoonlijke gezondheidsgegevens,” legt Heldoorn uit. Bijvoorbeeld diagnoses, medicijnvoorschriften en onderzoeksuitslagen van de huisarts, apotheek, specialisten en andere zorgverleners. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat patiënten ook persoonlijke gegevens over bijvoorbeeld pijnscores kunnen toevoegen, bijwerkingen van medicijnen of gezondheidsgegevens van zelfmeetapparatuur en apps voor bloeddruk en conditie. De patiënt kan de informatie met artsen delen en zo sneller de juiste behandeling krijgen. Ook fouten kunnen volgens Heldoorn beter worden voorkomen als patiënten zelf kunnen kijken naar hun gezondheidsgegevens en die kunnen aanvullen of corrigeren. Hoewel de meeste mensen nog geen ervaring hebben met het bijhouden van een PGD, blijkt uit recent onderzoek van patiëntenfederatie NPCF dat 59% van de Nederlanders er wel een zou willen hebben. Ze willen overzicht houden over de behandeling en willen weten hoe hun gezondheid zich ontwikkelt.

Overzicht

Een ander voordeel dat vaak wordt genoemd is dat zorgverleners in één oogopslag kunnen zien wat er bij een patiënt speelt. Heldoorn: “Patiënten hebben geen zin om elke keer hetzelfde verhaal af te draaien bij een nieuwe behandelaar.” Daarom werkt de NPCF samen met andere partijen uit het Informatieberaad Zorg* aan de realisatie van PGD’s in Nederland. Ook Kind & Ziekenhuis doet mee omdat ouders van ernstig zieke kinderen meer regie over de zorg willen. Dat blijkt uit een behoeftenonderzoek dat Kind & Ziekenhuis in 2013 onder driehonderd gezinnen met zorgbehoevende kinderen uitvoerde. Sommige patiënten hebben al ervaring met uitwisseling en opslag van medische gegevens. Soms hebben ze zelf een PGD gemaakt. Het nadeel is dat zo’n PGD niet verbonden is met zorginstellingen, waardoor patiënten alle gegevens van hun behandelaars zelf moeten opvragen en handmatig invoeren.

*De leden van het Informatieberaad zijn: ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (voorzitter), Zorgverzekeraars Nederland, Patiëntenfederatie NPCF, Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, Federatie Medisch Specialisten, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, Nederlands Huisartsengenootschap, Landelijke Huisartsenvereniging, InEen, Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, Actiz, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, GGZ Nederland.

Geen volledige inzage

Sinds kort bieden sommige ziekenhuizen de mogelijkheid om in te loggen in een digitaal portaal, waar patiënten hun eigen medisch dossier kunnen inzien. Maar lang niet alle portalen geven volledige inzage. Heldoorn: “Patiënten krijgen in het portaal alleen inzage in gegevens die door behandelaars van dat ene ziekenhuis zijn ingevoerd. Ze zien dus slechts een stukje van hun medische dossier. Patiënten die op meerdere plekken zorg krijgen, hebben daar weinig aan. Ze willen een compleet overzicht met gegevens van al hun behandelaars.” Zodat ouders tegen een arts in Maastricht kunnen zeggen: ‘Kijk even wat ze in het ziekenhuis in Nijmegen met mijn kind hebben gedaan’. Ook willen patiënten zelf informatie aan hun dossier kunnen toevoegen. Die mogelijkheid bieden portalen van ziekenhuizen vaak nog niet.

Gezondheidsapp

Heldoorn wil benadrukken dat het PGD geen centraal systeem is waar alle zorgverleners verplicht op moeten aansluiten. “Het is eerder aan een digitale menukaart: iedere patiënt kan zelf bepalen wat hij of zij met de gegevens wil doen.” Er zijn nu kleinschalige projecten in enkele zorginstellingen en gemeenten. Daar wordt ervaring met het PGD opgedaan, waarna kan worden uitgebreid naar andere instellingen. Heldoorn: “We willen dat patiënten met een paar drukken op de knop al hun medische gegevens in één overzicht bij elkaar kunnen brengen. In de toekomst kunnen ze ervoor kiezen of ze sommige gegevens van apps en zelfmeetapparatuur automatisch doorgeven aan hun behandelaars, om daarmee hun dossier aan te vullen.”

Directe communicatie

Ook een individueel zorgplan moet deel uitmaken van het PGD. “Ouders van chronisch zieke kinderen zouden daarmee enorm geholpen zijn,” zegt Hester Rippen, directeur van Kind & Ziekenhuis. “Zij hebben behoefte aan één individueel zorgplan waar alle betrokken partijen rondom hun zieke kind aan meewerken.” Het is de bedoeling dat het PGD zo wordt ingericht dat alle zorgverleners, het kind en de ouders direct met elkaar kunnen communiceren. Rippen: “Zo kunnen ze komen tot één zorgplan waarmee iedereen akkoord kan gaan. Ook kunnen ze elkaar via het PGD laten weten in welk deel van het proces ze zitten en wat de vervolgafspraken zijn. Op die manier sluit het PGD naadloos aan bij het Medische Kindzorgsysteem waar Kind & Ziekenhuis zich sterk voor maakt.”

“Het PGD is voor en van patiënten, zij hebben de regie.”

Om dit alles mogelijk te maken, werkt de NPCF met andere zorgpartijen aan informatiestandaarden, zodat de systemen met elkaar en met de patiënt kunnen communiceren en makkelijk gegevens kunnen uitwisselen. “Dat betekent dat gegevens als persoonlijke kenmerken, medicatie of afspraken op een standaard manier worden vastgelegd in de PGD’s,” legt Heldoorn uit. “Een tweede belangrijk punt is dat systemen met dezelfde techniek werken, zodat je ze aan elkaar en aan je PGD kunt koppelen.” In 2016 realiseert Nictiz, het ICT-instituut voor de zorg, de eerste versie van deze standaard. Ook de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen werkt mee aan de standaard.

Het PGD is niet bedoeld als vervanging van de officiële medische dossiers die artsen bijhouden. “De kwaliteit van het PGD is voor een groot deel afhankelijk van de patiënt,” zegt Heldoorn. Iemand kan slordig of onvolledig zijn. Of door ziekte tijdelijk stoppen met het bijhouden van een PGD.

“Dat betekent dat zorgverleners er niet van uit moeten gaan dat het PGD altijd compleet is. Het is een hulpmiddel dat ze met toestemming van de patiënt kunnen gebruiken. Ze moeten daarnaast vooral ook met de patiënt blijven praten.”

Assertief

Uit onderzoek is bekend dat niet iedere zorgverlener blij is met een assertieve patiënt die graag de touwtjes in handen heeft. Met het PGD kunnen patiënten zich in de spreekkamer nog assertiever gedragen. Bovendien is het de vraag of zorgverleners de tijd willen nemen om zich te verdiepen in een PGD dat de patiënt zelf bijhoudt. Het zal dus nog niet zo gemakkelijk zijn om PGD’s goed te laten functioneren. Heldoorn: “Sommige artsen zetten vraagtekens bij de betrouwbaarheid van gegevens die patiënten toevoegen aan hun PGD. Dat is een kwestie van cultuur. De beleving van de patiënt speelt altijd een rol, maar dat is ook zo in de spreekkamer van de arts. Zelfs al is de informatie die patiënten zelf toevoegen aan hun PGD niet altijd 100% betrouwbaar, het kan artsen wel een completer beeld geven. Of het kan een signaal zijn om iemand extra goed te onderzoeken.”

In de plannen voor 2017 voorziet de NPCF een bewustwordings-campagne onder artsen, samen met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en artsenorganisaties.

“De afwerende houding van artsen is een beetje achterhaald,” zegt Heldoorn. “Het getuigt van betrokkenheid als patiënten een PGD bijhouden. Zie de positieve kant en maak er gebruik van.”

Verhalen uit de praktijk

Feija (7 jaar), de dochter van Marije de Jager, heeft het hypermobiliteitssyndroom. Dat betekent dat haar gewrichten erg beweeglijk zijn. Ze zakt regelmatig door haar enkels, loopt moeilijk en heeft problemen met zindelijk worden. Samen met Feija bezocht Marije een hele stoet zorgverleners: urologen, kinderartsen, fysiotherapeuten, een ergotherapeut. Verschillende fysiotherapeuten wisten van elkaar niet wat ze deden. De kinderartsen waren het niet met elkaar eens over het maken van een rugscan. Iedere nieuwe behandelaar begon van voren af aan met vragen stellen over Feija. Niemand had overzicht over alle onderzoeken die ze al had gehad.

Daardoor duurde het niet alleen lang voordat een goede behandeling gevonden werd, het maakte Marije ook onzeker. Graag had ze een compleet dossier gehad met alle gezondheidsinformatie over Feija bij elkaar. Dan had ze zelf na kunnen gaan of alle behandelaars goed op de hoogte waren van elkaars verrichtingen. Een dossier waarin ze zelf ook dingen kon bijhouden. Bijvoorbeeld over de medicijnen die Feija gebruikte: welk middel goed werkte en welk minder, en wat de bijwerkingen waren. Zodat artsen hun behandeling daar op konden afstemmen.

Het PGD bevat vertrouwelijke medische gegevens. Een goede beveiliging en privacybescherming zijn dan ook essentieel. “De NPCF stelt samen met andere partijen de waarborgen op waaraan aanbieders van PGD’s moeten voldoen,” vertelt Heldoorn. “De veiligheidsmaatregelen moeten up-to-date zijn en regelmatig worden getoetst. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat het maximale is gedaan om hun persoonlijke gegevens te beschermen, en misbruik zou moeten worden bestraft.” Een van de dingen die daarvoor geregeld moeten worden is dat de patiënt de zeggenschap heeft over gegevens die door zorgverleners worden toegevoegd. Heldoorn: “Je moet patiënten niet het gevoel geven dat er dingen achter hun rug om gebeuren. Ze moeten altijd mee kunnen kijken en zelf aan de knoppen zitten. Dat betekent bijvoorbeeld dat zorgverleners van tevoren aan de patiënt duidelijk maken met welk doel ze gegevens willen uitwisselen met andere behandelaars.”

“Alle belangrijke partijen in de zorg zijn het erover eens dat we patiënten beter moeten informeren en meer regie moeten geven en dat het PGD een goed middel is om dat te bereiken.” 

Beveiliging

Een ander belangrijk punt is het medisch beroepsgeheim. Dat geldt voor gegevens die de dokter beheert en niet voor de patiënt die een kopie in zijn of haar PGD vastlegt, of thuis een kopie bewaart. Weliswaar hebben patiënten formeel de mogelijkheid om derden toegang tot het PGD te weigeren, maar dat beschermt nog niet afdoende tegen politie- en opsporingsdiensten, (toekomstige) werkgevers, verzekeraars en andere financiële instellingen die de inhoud van het PGD willen bemachtigen of druk op de patiënt willen uitoefenen.

Daarom heeft de NPCF voorgesteld om een wettelijk patiëntengeheim in te voeren, vergelijkbaar met het medisch beroepsgeheim. Heldoorn: “Voordat we op grote schaal met het PGD aan de slag gaan, moet dat goed geregeld zijn.” Ook roept het PGD nieuwe vragen op over aansprakelijkheid. Zijn artsen bijvoorbeeld verplicht om het PGD te raadplegen als ze weten dat hun patiënt er een heeft? Kunnen ze aansprakelijk worden gesteld als achteraf blijkt dat ze belangrijke informatie hebben gemist?

Thuis hoogwaardige en veilige zorg

Betalen

Ten slotte is er de vraag wie het PGD gaat betalen. Volgens Heldoorn zijn er aanbieders die zeggen dat het mogelijk is om voor vijf tot tien euro per inwoner per jaar een goed PGD-systeem te laten draaien. “Alle belangrijke partijen in de zorg zijn het erover eens dat we patiënten beter moeten informeren, meer regie moeten geven en dat PGD’s een goed middel zijn om dat te bereiken,” zegt hij. Hoe de financiering moet worden geregeld, is nog onderwerp van onderzoek. Er is een aantal scenario’s denkbaar: dat het PGD in de basiszorgverzekering komt of dat de zorgverzekeraars een innovatiefonds in het leven roepen om het van de grond te krijgen. Ook zou het kunnen dat patiënten een deel zelf moeten betalen. Uit onderzoek van de NPCF blijkt dat 70% van de patiënten vindt dat PGD’s uit de basisverzekering betaald moeten worden. 28% is bereid jaarlijks een klein bedrag voor het PGD te betalen.

Ditty Eimers

Meer informatie?

Het project om tot een online persoonlijkgezondsheidsdossier te komen staat niet stil. Op 10 juni 2016 op de ehealtweek is in plaats van persoonlijkgezondsheidsdossier de naam persoonlijkegezondheidsomgeving gelanceerd onder de naam MedMij. MedMij groeit in 2016 uit tot een set van eisen en afspraken voor digitale persoonlijke gezondheidsomgevingen. Dat geeft mensen meer grip op hun eigen gezondheidsgegevens. Binnen het programma Meer Regie over Gezondheid werken patiënten, zorgaanbieders, ontwikkelaars, zorgverzekeraars en overheden hieraan samen. Meer informatie op www.medmij.nl.

Weten wat kinderen willen

Weten wat kinderen willen

Kinderen adviseren het ziekenhuis

Voor volwassen patiënten is er in ziekenhuizen als vanzelfsprekend een patiëntenraad. Maar voor kinderen bestond zoiets nog niet. Nu wel: in Nijmegen ging in november een Kinderadviesraad van start, in Utrecht in januari een Kinderraad. Eindelijk hebben kinderen een structureel middel om invloed uit te oefenen in het ziekenhuis.

In de eerste decennia van het bestaan van Kind & Ziekenhuis was het voor de organisatie hard werken om ouders in het ziekenhuis een plek te geven naast hun kind en om hen bij ziekenhuizen als gesprekspartner in beeld te krijgen. Daarna was het tijd voor de emancipatie van het zieke kind. K&Z-directeur Hester Rippen: ‘De gezinsgerichtheid is enorm toegenomen en het is steeds gebruikelijker geworden om ook te vragen naar de mening van patiënten en ouders. Maar in de praktijk zijn het vooral de ouders die van zich laten horen. Toch hebben kinderen wel degelijk ideeën over de behandeling en begeleiding, en dat zijn vaak andere ideeën dan ouders hebben. Zo hebben verschillende ziekenhuizen al gemerkt dat verpleging en ouders glazen deuren in patiëntenkamers een goed idee vinden omdat er dan zicht is op de kinderen, maar dat de kinderen zelf zich er niet prettig bij voelen. Ze vinden het niet fijn om te kijk te liggen. Het is heel belangrijk dat dit soort ervaringen gehoord wordt en dat er ook echt iets mee gebeurt. Daar kan een kinderraad op toezien.’

Aanspreekpunt

Het Amalia Kinderziekenhuis van het Radboudumc was het eerste ziekenhuis dat de stap zette. Kind & Ziekenhuis dacht mee en K&Z-vrijwilliger Giselle van Nes hielp bij het daadwerkelijk opzetten van de Kinderadviesraad. Zij is nu voorzitter van de raad. Met haar 23 jaar is ze net wat ouder dan de doelgroep, maar toch staat ze als ervaringsdeskundige dichtbij, vertelt ze: ‘Als kind ben ik veel in ziekenhuizen geweest, en toen had ik best wel behoefte aan iets als een kinderadviesraad. Dat je samen praat over wat er in het ziekenhuis beter zou kunnen. Mijn leeftijd ligt nog dicht bij de kinderen en ik denk dat ze bij mij een goed aanspreekpunt vinden. En bij de kinderen uit de raad, natuurlijk, want we gaan ook de afdeling op om te praten over de ervaringen van de patiënten. Ons doel als raad is om iets te bereiken voor alle kinderen in het ziekenhuis.’

Band

De Kinderadviesraad werd officieel geïnstalleerd op 20 november, de Internationale Dag van de Rechten van het Kind, door kinderombudsman Marc Dullaert. De raad bestaat uit negen leden, in leeftijd variërend van elf tot zeventien jaar. De kinderen hebben een band met het ziekenhuis omdat ze er regelmatig komen vanwege een chronische ziekte, omdat ze er in het verleden behandeld zijn of omdat ze gewoon geïnteresseerd zijn in het ziekenhuis.

Peerbuddyproject

Hoe de werkwijze precies wordt, moet zich nog uitkristalliseren. In ieder geval komen de kinderen een paar keer per jaar bijeen. Wie vanwege zijn of haar ziekte niet bij een vergadering aanwezig kan zijn, kan via FaceTalk of Skype toch meedoen. De raad kan vragen stellen aan de leiding van het kinderziekenhuis, en brengt gevraagd en ongevraagd advies uit. Het eerste wat de raad nu aan het doen is, is bepalen welke onderwerpen als eerste worden opgepakt. Uitgangspunt daarbij is een lijst met heel verschillende onderwerpen als eten en drinken, privacy en ‘hoe wil je behandeld worden?’

Eerste vergadering

Begin dit jaar kreeg ook het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht een eigen adviesorgaan voor en door kinderen, de Kinderraad. Deze raad bestaat uit tien jongens en meiden van acht tot achttien jaar, die vier keer per jaar bij elkaar komen. Een van de onderwerpen tijdens de eerste vergadering was de vraag hoe de raad andere kinderen op de hoogte kan brengen van het bestaan. Afgesproken werd dat er naast de informatie die op de WKZ-site staat ook informatie zou worden verspreid via een folder en via het infotainmentsysteem van het ziekenhuis. Een ander onderwerp dat werd besproken, is hoe kinderen hun vragen en adviezen aan de Kinderraad kunnen doorgeven. Dat kon al via de website en sociale media, maar de raad wilde meer mogelijkheden. Zo ontstond het plan om in de hal van het WKZ een zuil te plaatsen met een tablet-pc, die kinderen kunnen gebruiken om hun tips en opmerkingen te melden. Tijdens volgende vergaderingen gaat de Kinderraad onder meer bespreken hoe het eten verbeterd kan worden, en of het mogelijk gemaakt kan worden dat kinderen die zijn opgenomen via de computer onderling contact kunnen leggen.

Serieuze plek

Met de installatie van de twee kinderraden breekt een nieuwe fase aan, zegt Hester Rippen: ‘In al ons werk baseren wij ons op de rechten van het kind, en artikel 12 bepaalt dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over zaken die hen aangaan. Een kinderraad is hierbij onmisbaar. Het is een manier om kinderparticipatie een serieuze plek te geven in de ziekenhuisorganisatie. Daar hebben ziekenhuizen alleen maar voordeel bij, want ze kunnen veel leren van kinderen. En het goede voorbeeld is er nu, dus andere ziekenhuizen hoeven alleen maar te volgen.’