Minder postoperatieve pijn, betere pijnbestrijding

Met het Europese project PAIN OUT kunnen ziekenhuizen gegevens over postoperatieve pijn naast elkaar leggen en de resultaten met elkaar vergelijken. Dat maakt een effectievere pijnbestrijding mogelijk. De afdeling anesthesiologie van het UMCG en het Beatrix Kinderziekenhuis in Groningen hebben er positieve ervaringen mee.

Jaarlijks worden in West-Europa meer dan veertig miljoen mensen geopereerd. Minstens de helft heeft na de operatie matige tot zeer ernstige pijn. Postoperatieve pijn heeft veel nadelige gevolgen, zowel lichamelijk als sociaal en psychologisch. De afdeling Anesthesiologie van het UMCG en het Beatrix Kinderziekenhuis hebben protocollen ontwikkeld waarmee pijn na een operatie zo vlot en effectief mogelijk behandeld kan worden. Het meten van de pijnscore is daarbij een belangrijk hulpmiddel. Daarnaast helpt het bij het evalueren van het behandelresultaat. Als een kind aanvankelijk een hoge pijnscore rapporteert en na het toedienen van een pijnstillend medicijn een veel lagere score, dan heeft dat medicijn kennelijk geholpen.

Bij een individuele patiënt kan een pijnscore veel informatie geven over het resultaat van de behandeling en de ernst van de pijnklachten. Het is verleidelijk de kwaliteit van de pijnbestrijding bij groepen patiënten te evalueren door de meetresultaten met elkaar te vergelijken. In de praktijk is dat erg lastig doordat afdelingen de pijn op verschillende manieren meten. Moderne informatietechnologie stelt ziekenhuizen in staat gegevens zoals pijnscores te verzamelen en hier onderzoek mee te doen. Dat kan kleinschalig onderzoek zijn binnen een afdeling, maar ook grootschalig tussen verschillende ziekenhuizen of zelfs verschillende landen.

PAIN OUT

Met het project PAIN OUT kunnen gegevens van ziekenhuizen naast elkaar gelegd en vergeleken worden doordat de data op dezelfde manier zijn verzameld. PAIN OUT ging in 2009 van start. Sindsdien wordt gewerkt aan een gebruiksvriendelijk, op het web gebaseerd informatiesysteem waarmee de kwaliteit van de postoperatieve pijnbestrijding verbeterd kan worden.

De mogelijkheden van het systeem:

  • invoeren van systematische geanonimiseerde data aan
    de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten (inmiddels
    vertaald in twintig talen);
  • gegevens uit het medisch dossier en door de patiënt gerapporteerde uitkomsten worden met elkaar gecombineerd;
  • het geven van feedback op de behandelresultaten binnen een ziekenhuis, bijvoorbeeld door verschillende afdelingen met elkaar te vergelijken;
  • het geven van feedback op de eigen behandelresultaten in vergelijking met andere ziekenhuizen;
  • behandelmogelijkheden beoordelen op effectiviteit en bijwerkingen;
  • het bieden van ‘evidence based support’ in de klinische besluitvorming.

In alle deelnemende ziekenhuizen worden de data op dezelfde gestandaardiseerde manier verzameld en ingevoerd. Alle gegevens worden maandelijks volledig geanonimiseerd verwerkt in een centrale database. Hierdoor is het mogelijk de behandelresultaten van deelnemende ziekenhuizen op een valide en betrouwbare manier met elkaar te vergelijken en hierover feedback te geven. Dit kan ziekenhuizen helpen te bepalen op welke onderdelen binnen een zorgproces verbeteringen mogelijk zijn. Daarnaast kunnen de data gebruikt worden om verschillende onderzoeksvragen te beantwoorden. Zo kan bijvoorbeeld de effectiviteit van twee mogelijke therapieën met elkaar vergeleken worden of kan onderzocht worden of sommige vormen van chirurgie pijnlijker zijn dan andere. Naarmate het aantal ingevoerde datasets groter wordt, zal het steeds eenvoudiger worden de effectiviteit van een therapie te beoordelen, ook bij relatief weinig voorkomende aandoeningen.

In 2011 ging QUIPSI (quality improvement in postoperative pain management in infants) van start. Het is een vervolg op PAIN OUT waarbij kinderen tussen de vier en achttien jaar wordt gevraagd naar de behandeling van de pijn en mogelijke bijwerkingen. Pijnscores worden bepaald aan de hand van een gezichtjesschaal. Daarnaast worden gegevens verzameld over bijvoorbeeld leeftijd en geslacht, de anesthesietechniek, toegediende analgetica en eventuele bijwerkingen. Ieder ziekenhuis waar kinderen geopereerd worden kan aan dit programma meedoen. Er worden geen minimumeisen gesteld aan het aantal bedden of het aantal verschillende verrichtingen dat wordt uitgevoerd. Het UMCG neemt inmiddels deel aan QUIPSI.

Het is daarmee één van de eerste Nederlandse ziekenhuizen dat op deze manier de kwaliteit van de pijnbestrijding wil toetsen en spiegelen aan internationale data. Een aantal medewerkers heeft een trainingsprogramma doorlopen en weet welke eisen worden gesteld aan het verzamelen van de data. Wekelijks wordt willekeurig een aantal kinderen geselecteerd. Aan deze kinderen wordt op de dag na de operatie gevraagd eenmalig een vragenlijst in te vullen. Patiëntgerelateerde uitkomsten worden door het kind zelf gerapporteerd, zo nodig met hulp van de ouders. Demografische data en gegevens uit het medisch dossier worden op dit moment nog handmatig verzameld. We werken aan een programma waarbij deze gegevens in de toekomst zoveel mogelijk geautomatiseerd worden opgehaald en aan de patiënt gekoppeld.

Deelnemende ziekenhuizen leveren data aan die centraal verwerkt en geregistreerd worden. Periodiek worden de ‘eigen’ resultaten en de resultaten in vergelijking met andere deelnemende ziekenhuizen gerapporteerd. De verzamelde gegevens worden geanalyseerd. Dit moet leiden tot een instrument dat aangeeft welke behandeling in een bepaald geval het meest effectief is.

Waarom het UMCG deelneemt aan QUIPSI

Streven naar een zo goed mogelijke postoperatieve pijnbestrijding bij kinderen is vanzelfsprekend. Om te kunnen beoordelen op welke onderdelen het UMCG goed scoort en waar het beter kan zijn betrouwbare data nodig. Wij denken dat QUIPSI ons hierbij kan helpen. We hopen dat dit artikel eraan bijdraagt dat meer Nederlandse ziekenhuizen besluiten tot deelname aan dit programma.

Meer informatie: pain-out.med.uni-jena.de/node/82

Sjaak Rekker, verpleegkundig specialist en coördinator
acute pijnservice afdeling Anesthesiologie UMCG

Een belevingsgedachte van een frequent bezoeker met zorgintensief kind…

De geur die er hangt is vertrouwd en toch ook niet. De routine die er heerst is bekend. Alles valt of staat met het volgen van gebruiken, protocollen en regels. Praktisch handelen gaat moeizaam samen met invoelend vermogen. Tijd is hier een kostbaar goed, ook al is uitlopen de standaard. Te veel of te weinig tijd kan hier het verschil maken. Net als het wel of niet volgen van een protocol. Ze zijn er niet voor niets. Het is waar het hele systeem op draait. Anders worden er risico’s genomen en missers begaan. En juist dit is een plek waar dat niet geoorloofd is. Want in dit huis vol wetenschap & emotie wordt de maakbaarheid van het leven nagestreefd. Helen, revalideren, behandelen, bestrijden en (over)leven; daar draait het om. Het is de plek waar de wereld soms stil staat, waar het leven begint, waar het verlengd of verbeterd wordt of helaas soms zijn einde vindt. Het Ziekenhuis.

De operatie

Als je er vaak genoeg komt raak je er haast aan gewend. Helemaal wennen doet het echter nooit. Zeker niet tijdens piekdagen waarop spanning, emotie en hoop hoogtij vieren. Zoals op een operatiedag… Om 2 van de 3 door mij meest geliefde personen samen te zien vertrekken blijft vreemd. Mijn kleintje in haar operatiehemdje op de arm van haar papa. De grote deuren door en de lange hal in. De hal waar talloze OK’s op uitkomen. Daar waar kinderen in slaap gebracht worden en wonderen verricht worden. Het is een paralleluniversum. Een wereld die slechts door enkelen betreden wordt. We laten ons slapende kindje achter in kundige handen. En alsof je zelf ook onder narcose gebracht bent, worden seconden minuten en minuten uren. De wereld staat stil. Er bestaat niks anders. Je praat, je huilt, je wacht, je hoopt. Tot het bericht komt dat je naar de verkoeverkamer mag. Opluchting. Het ergste is voorbij!

De verpleegafdeling

Op de verpleegafdeling draai je mee in het ritme en de orde die er heerst. De lampen gaan aan en de afdeling en zijn tijdelijke bewoners ontwaken. Kamers worden opgeruimd, overdrachten gehouden en visites gelopen. Het leven op een afdeling hangt van vragen en antwoorden aan elkaar. Nieuws, uitslagen en behandelplannen. Het is een achtbaan van emoties. Juist als jij je kindje het dichtst bij je wilt hebben, is dit het moeilijkst. Alle draden, slangen, plakkers en kabels laten het niet toe. Er zijn dagen dat je van optimistisch en hoopvol naar wanhopig en zorgelijk gaat. Tot de lampen uitgaan en de ogenschijnlijke rust op de afdeling wederkeert.

Twee werelden

Die ogenschijnlijke rust heerst, tijdens een opnameperiode, overal – zowel thuis als in het ziekenhuis. Resulterend in het feit dat je nergens rust kent. Je bent incompleet en dus nergens “thuis”. Je verkeert in twee werelden. Zodra je het ziekenhuis verlaat, stap je letterlijk uit de zorg. De alertheid, waakzaamheid en zorg mogen voor even plaatsmaken voor vermoeidheid, rust en aandacht voor het gewone leven. Na een nacht wissel je elkaar af en stap je weer in de bubbel van zorg. Soms is het lastig om letterlijk weer de zorg in te stappen. De drempel kan hoog zijn. In het dagelijks leven met je zorgintensieve kindje bedrijf je topsport. Op dit soort momenten wordt er van je gevraagd een marathon te lopen. Dat is zwaar.

Dan breekt de tijd aan waarin het herstel zichtbaar begint te worden en de noodzakelijke mijlpalen behaald zijn. Frisse moed en energie vullen je van top tot teen. Vertrouwen komt terug en de finish komt in zicht. De dagen en uren voelen lichter. En dan komen eindelijk die verlossende woorden die iedereen wil horen: “Jullie mogen naar huis!”.

Vera Tomassen

PTSS bij kinderen en ouders vaak niet herkend

Het is meestal maar een klein bericht: ‘Aanrijding, kind naar het ziekenhuis gebracht’, ‘Jongen aangevallen en beroofd’. Achter dat kleine bericht kunnen grote gevolgen voor het slachtoffer schuilgaan. Er zou meer aandacht moeten komen voor psychische schade, ook bij kinderen.

Het meemaken van een ongeluk of geweld kan heel ingrijpend zijn. Iemand die gewond is, krijgt in het ziekenhuis medisch onderzoek en behandeling. Dat kan poliklinisch zijn, waarna het slachtoffer naar huis gaat. Soms is een klinische opname noodzakelijk. Hoe dan ook, zo’n ongeluk is ingrijpend, ook voor directe familieleden of getuigen. Het kan even duren voordat alles weer ‘normaal’ is. Behalve de lichamelijke consequenties van een ongeluk of geweld, kan een slachtoffer ook te maken krijgen met psychische gevolgen zoals slecht slapen, heel prikkelbaar zijn of bepaalde dingen niet meer durven. Dat zijn normale reacties op een abnormale gebeurtenis. Iedereen kan er last van krijgen als men iets heel naars of bedreigends overkomen is.

Depressie, PTSS, angst

Gelukkig gaan de psychische reacties meestal vanzelf over en kan het ‘oude’ leven geleidelijk weer opgepakt worden. In een klein deel van de gevallen gebeurt dat helaas niet en blijven de stressreacties aanhouden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat 16% van de volwassenen en 10 tot 15% van de kinderen na langere tijd nog steeds last heeft. Het komt ook voor dat het eerst wel goed gaat en pas later klachten ontstaan. Bijvoorbeeld posttraumatische stressstoornis (PTSS), depressie, hevige angst of paniekaanvallen. PTSS komt het meest voor, soms in combinatie met andere klachten. Een psycholoog of psychiater stelt de diagnose en kan zorgen voor een goede behandeling.

Kenmerken en gevolgen

PTSS bestaat uit vier groepen symptomen: herbeleving, vermijding, negatieve gedachten en stemming en verhoogde prikkelbaarheid. Voorbeelden van specifieke klachten die bij PTSS voorkomen: onaangenaam dromen over dingen die te maken hebben met de gebeurtenis, last hebben van herinneringen die zich opdringen, van negatieve gevoelens over jezelf of over de wereld, van woede, van gevoelens van schuld of schaamte en overdreven schrikken. Ook het gedrag kan veranderen. Sommige slachtoffers worden snel agressief, zijn heel druk of juist teruggetrokken. PTSS kan voelen alsof je lichaam steeds in de alarmstand blijft staan. Alsof er groot gevaar dreigt waarvoor je de hele tijd moet opletten. Dat is een vermoeiende bezigheid die je flink kan slopen. Het is lastig om er gewoon bij te blijven werken of naar school te gaan. De klachten zelf veroorzaken dus nog meer problemen waardoor het moeilijk is te functioneren en te presteren. Ook relaties, gezinnen en contacten met vrienden en vriendinnen kunnen er flink onder lijden en dan kan een slachtoffer zich nog slechter gaan voelen. Behalve voor de slachtoffers zelf en voor hun omgeving zijn er ook grote maatschappelijke en economische gevolgen. Er is veel inspanning en geld mee gemoeid als kinderen hun schooljaar niet af kunnen maken, als jongeren door agressief gedrag in de problemen komen en als volwassenen zich vaak ziekmelden en niet kunnen werken. Ondanks die negatieve gevolgen en hoge kosten is er beperkte aandacht in het ziekenhuis voor de mogelijkheid dat PTSS kan ontstaan als gevolg van een ongeluk of geweld.

“16% van de volwassenen en 10 tot 15% van de kinderen heeft na langere tijd nog steeds psychische klachten.”

Zorg psychische gevolgen

In Nederland worden de lichamelijke gevolgen van ongelukken en geweld goed in de gaten gehouden. De arts informeert de patiënt goed over bepaalde risico’s en maakt een afspraak voor poliklinische controle als hij zelf wil vaststellen of het lichamelijk nog goed gaat. Een dergelijke procedure is er niet voor psychische gevolgen. Hooguit bij rampen met veel slachtoffers is er ook nazorg voor de psychische kant.

Het is vooraf niet duidelijk wie PTSS zal ontwikkelen. Wel zijn risicofactoren bekend, zoals bestaande psychische problemen, een verhoogde hartslag meteen na de gebeurtenis, of posttraumatische stressklachten van de ouders. Vaak wordt gedacht dat ernstig lichamelijk letsel ook een risicofactor is voor het ontwikkelen van PTSS. Dit is een misverstand. Ook mensen met weinig letsel kunnen PTSS krijgen. Als de gebeurtenis traumatisch is, kunnen de psychische gevolgen groot en langdurig zijn. Het is nog onduidelijk welke combinatie van risicofactoren leidt tot PTSS. Het zou daarom helpen als het ziekenhuis bij elk slachtoffer van een ongeluk of geweld kan vaststellen of er risico is op PTSS. Mensen die risico lopen kun je dan in de gaten houden. Dit is dezelfde werkwijze als die van de arts bij lichamelijke klachten, alleen houdt in dit geval de psycholoog iemand in de gaten. De psycholoog heeft korte en handige vragenlijsten waarmee vastgesteld kan worden of slachtoffers risico lopen op langdurige klachten. Daarbij maakt het niet uit of het slachtoffer in het ziekenhuis ligt of al naar huis is. Iedereen wordt benaderd en ‘gescreend’. Dat kan gemakkelijk met een telefoontje, een link, een app. Mogelijkheden genoeg.

Toekomst zonder PTSS?

Wij hebben onderzoek gedaan naar de psychische gevolgen van ongelukken bij kinderen en hun ouders. Tijdens het onderzoek bleek dat de klachten die bij PTSS horen vaak niet worden herkend. Het gevolg daarvan is dat er ook geen behandeling wordt gezocht of geadviseerd. Daarom is het nodig om te signaleren en slachtoffers die in de risicogroep vallen in de gaten te houden. Dat kan alleen door de hele groep vanuit het ziekenhuis te screenen, alle slachtoffers dus, opgenomen of niet. Eenmaal uit het ziekenhuis zijn alle individuele slachtoffers weer individu en op zichzelf aangewezen. Gelukkig komt er steeds meer besef, vooral bij artsen en verpleegkundigen, dat we wat moeten en kunnen doen. Ons onderzoek heeft een instrument opgeleverd waarmee het risico op PTSS na een ongeluk bij kinderen en bij ouders kan worden vastgesteld. Dat kunnen we snel gaan gebruiken. Daarover zijn we nu in een aantal ziekenhuizen in gesprek. Het onderzoek is een aanleiding om uit te zoeken hoe we slachtoffers van ongelukken en geweld het best in de gaten kunnen houden en zo snel mogelijk kunnen helpen.

Helemaal zonder psychische klachten zal niet lukken, maar we streven ernaar dat iedereen die het nodig heeft snel hulp krijgt en dat langdurige klachten kunnen worden voorkomen. Het begin is er!

Els van Meijel, Maj Gigengack en Ramón Lindauer
AMC Amsterdam, afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie

Meer informatie: e.vanmeijel@debascule.com

Smiley voor de spoedeisende hulp

Een bezoek aan de spoedeisende hulp zal nooit leuk worden, zeker niet voor kinderen. Maar het hoeft ook geen traumatische ervaring te zijn. De nieuwe Smiley van Kind & Ziekenhuis ondersteunt ziekenhuizen bij het kindgerichter maken van hun spoedeisende hulp.

Je kunt een perfecte kinderafdeling hebben met de mooiste voorzieningen en de beste zorg, maar als kinderen op de spoedeisende hulp terechtkomen, hebben ze daar niet veel aan. Daarom werkt de spoedeisende hulp van het Admiraal de Ruyterziekenhuis in Goes aan het vergroten van de kindgerichtheid. De afdeling heeft meegedaan met de pilot voor de nieuwe Smiley.

Een mooie dag in maart. De winterse griepgolf is net voorbij en het vriest of stormt niet, maar toch komt de ene na de andere patiënt binnen bij de spoedeisende hulp (SEH) in Goes. In het hokje achter de beveiligde toegangsdeur zit een verpleegkundige aan tafel haar boterhammen te eten, met de alerte blik van iemand die elk moment kan opspringen om in actie te komen. “Het is vandaag een gekkenhuis,” zegt ze. “Zó druk.” Een klein geluk: er zijn vandaag kennelijk nog geen kinderen van het klimrek gevallen of onder een auto gekomen. Alle patiënten zijn boven de achttien. Dat geeft Femke Schuurmans en Lizette Bustraan de kans om een rondleiding te geven langs de pas opgeknapte kinderkamers van de SEH. Schuurmans is kinderarts op de kinderafdeling en Bustraan teamleider zorg van de SEH.

TABLET

De SEH begint voor de meeste patiënten in de L-vormige wachtkamer. Kinderen hebben er hun eigen hoek, “zodat ze geen bloedende en spugende volwassenen zien,” zoals Schuurmans het beeldend uitdrukt. De ruimte is fris geschilderd en er liggen speelgoed en boeken. Aan de muur hangt een tablet met honderden spelletjes voor kinderen. ”De televisie komt nog,” zegt Bustraan. Die helpt nog wat meer met het afleiden van de aandacht.

Voor de twee kinderkamers van de SEH hoef je niet de hele afdeling over, want ze zijn vlakbij de ingang, ook weer om te voorkomen dat een kind per ongeluk een angstaanjagend tafereel ziet. Bustraan wijst erop dat de onderzoekstafel zo staat dat de patiënt de apparatuur aan de muur niet ziet. Rechts naast het bed hangt een groot beeldscherm waarop om de zeven seconden een nieuw plaatje verschijnt, van een jong katje, lammetjes of tekenfilmfiguren.

Op een beeldscherm aan de andere kant kun je filmpjes en televisie kijken, voor als het bezoek wat  langer duurt. Een dimmer op het licht kan de ontspanning nog wat meer bevorderen, maar het mooist is misschien wel de beamer die een patroon met stippen, vlekken of sterretjes over de muren en het plafond kan laten bewegen. Je zou bijna vergeten dat je in het ziekenhuis bent.

FANATIEK

Alles aan Bustraan en Schuurmans straalt uit dat ze helemaal gaan voor een Smiley voor de SEH. Ze zijn bloedfanatiek. Waarom? Schuurmans: “De zorg voor kinderen is hier echt goed, dus als er één SEH is die voor een Smiley in aanmerking komt, dan is het die van ons. De verpleging is betrokken bij de kinderen, ze zijn vriendelijk en hebben aandacht voor wat de kinderen nodig hebben, ook naar de ouders toe. En als je een Smiley aanvraagt, krijg je veel tips om het nog beter te doen. Dat vinden we belangrijk, we willen optimale zorg voor de kinderen.”

Op het moment van het gesprek is nog niet bekend of de afdeling inderdaad een Smiley heeft gehaald. De visitatiecommissie heeft wel een conceptrapport gestuurd. Bustraan: “Alle punten zijn gevisiteerd op Brons, Zilver en Goud. We zouden Zilver kunnen halen en hebben op een heleboel punten zelfs Goud gescoord. Maar het wordt waarschijnlijk toch eerst een Bronzen Smiley.” Ze kijkt even teleurgesteld. “Gisteren hebben we gehoord dat de kinderafdeling eerst Zilver moet halen voordat wij Zilver kunnen krijgen. Maar de kinderafdeling is er nog niet helemaal klaar voor, daar moeten we op wachten.” Schuurmans: “We hebben met de kinderafdeling in januari een Bronzen Smiley gehaald. We gaan nu waarschijnlijk verder voor Goud. Dan krijg je om de drie jaar een visitatie. Wij willen dat graag. Laat ze maar komen.” Bustraan: “Dan gaan wij ook voor Goud.”

“Als je een Smiley aanvraagt, krijg je veel tips om het nog beter te doen.”

FOLDERS

De inrichting van de kinderkamers scoorde Goud, maar voor de schriftelijke communicatie kreeg de SEH in eerste instantie een onvoldoende. Bustraan: “We hadden nog geen folders over rechten en plichten van het kind en over het participeren van ouders in de zorg. Die zijn we nu aan het maken.” Een Gouden punt van het Admiraal de Ruyterziekenhuis is de intensieve samenwerking van de SEH met de kinderafdeling en de tweewekelijkse gezamenlijke scenariotraining. Bustraan: ”Femke kiest elke twee weken een casus. Dan laat ze een SEH-arts, een SEH-verpleegkundige en een kinderverpleegkundige een rollenspel doen. Daarna wordt geëvalueerd wat goed en wat fout ging en welke punten we moeten aanpakken. Dat doen we nu anderhalf jaar. In het begin wilde niemand de beurt om het kind op te vangen, want dat vonden ze eng en spannend. Nu gaat het steeds makkelijker. Het trainen met scenario’s geeft zekerheid en vertrouwen.”

Schuurmans: “Dat merk ik ook in het reguliere werk. Als ze op de SEH bijvoorbeeld niet zeker weten hoe je een neusbril goed vastplakt bij een kind, dan bellen ze de kinderafdeling en dan komt de kinderverpleegkundige om het uit te leggen. Dat gaat heel gemoedelijk. Je weet wat de ander kan, wat je bedoelt en wat je van elkaar kunt verwachten. Zorg kun je altijd leveren, daar ben je voor opgeleid, maar door de scenariotraining is de samenwerking veel beter geworden.” Bustraan: ”En als je de afgelopen week iets heftigs hebt gehad, dan zeg je: het is goed om dat nog eens te trainen. Dat kan dan op heel korte termijn.”

Het klinkt allemaal fantastisch. Schuurmans: “Ik ben heel trots op onze SEH, en het is niet eens mijn afdeling.” Bustraan: “Iedereen die hier werkt is trots. We willen het goed doen, anders voelen we ons niet prettig.” Leidt de grote kindgerichtheid ook tot minder agressie op de SEH? Bustraan: “Dat is nou echt een vraag van iemand uit de Randstad. Wat dat betreft zitten we hier in Zeeland goed, er is bijna geen agressie.”

Schuurmans: “Maar het is wel een verschil of je heel benauwd in een klein kamertje naast het bed staat, of dat je rustig bij je kind kunt zitten, met een bakje koffie of thee erbij. Bij ons kunnen de ouders even tot zichzelf komen en hun bezorgdheid uiten.”

En het is niet eens duur om de omgeving kindvriendelijk te maken, zegt Bustraan. “Zoveel bijzondere dingen hebben we niet eens gedaan. Een televisie, een beamer, wat kost dat nou helemaal, op het budget van een ziekenhuis? En voor kindvriendelijke zorg zijn altijd sponsors te vinden. De licenties voor de computerspelletjes zijn door een bedrijf betaald, dat kost ons niks. Het gaat meer om bewustwording: hoe ga je met een kind om, hoe is de belevingswereld van het kind?” “En,” vraagt Schuurmans aan het eind van de rondleiding, “zou jij je kind hier naartoe brengen in een noodgeval?” Het is een beetje ver weg, maar anders zou het antwoord zeker ja zijn.

De lat ligt hoog

De Smiley voor de spoedeisende hulp kan nu aangevraagd worden. Je kunt gaan voor Brons, Zilver of Goud. Het Jeroen Bosch ziekenhuis in Den Bosch, Rijnstate Arnhem en het Admiraal de Ruyterziekenhuis in Goes hebben meegedaan aan de pilot. Ze zijn alle drie ‘geslaagd’.

Waarom zouden ziekenhuizen de nieuwe Smiley aanvragen? Dat is duidelijk, vindt Hester Rippen van Kind & Ziekenhuis. “2015 is door minister Schippers uitgeroepen tot het jaar van de transparantie. Daar sluit de Smiley bij aan. Ziekenhuizen kunnen er nog beter mee laten zien dat ze het perspectief van patiënten en transparantie over de kwaliteit hoog in het vaandel voeren. Onze Smileys hebben de kwaliteit van de zorg op de kinderafdeling omhoog gebracht. Nu kijken we over de muren van de kinderafdeling heen.” Voor de afdeling SEH is gekozen omdat veel kinderen via die poort het ziekenhuis binnenkomen. Rippen: “En juist daar zijn de angst en de pijn voor kinderen het grootst. Je komt er onverwacht en onvoorbereid. We willen bereiken dat kinderen zo min mogelijk gestrest en getraumatiseerd raken en we hebben gemerkt dat veel ziekenhuizen daar ook mee bezig zijn.”

Wat zijn de belangrijkste uitkomsten van de pilot? Rippen: “De pilot heeft ons veel nieuwe inzichten opgeleverd. De mooiste constatering vind ik dat een SEH op verschillende manieren kindgericht kan zijn en dat die manieren allemaal goed zijn. Het gaat om het gebruik van ruimtes, de route die een kind loopt en welke disciplines op de SEH aanwezig zijn. Heb je bijvoorbeeld een kinderverpleegkundige op de SEH of heb je een SEH-verpleegkundige met kinderen als aandachtsgebied? Dat kan allebei.” Denise Joseph, beleidsmedewerker Kind & Ziekenhuis: “Sommige ziekenhuizen hebben op de kinderafdeling een speciale spoedkamer. Daar kunnen kinderen overdag tussen negen en vier uur terecht. Een andere keuzemogelijkheid is om kinderen met bepaalde trauma’s naar een speciale behandelkamer op de kinderafdeling te laten gaan. Heel belangrijk is wel dat de teams er echt voor gaan, dat ze samen en vanuit hun hart met kindgerichtheid bezig zijn.”

Een algemene observatie tijdens de pilot is dat de logistiek op de spoedeisende hulp meer de boventoon voert dan op de kinderafdelingen. “Dat vinden ziekenhuizen logisch, maar wij vinden het vanuit de patiënt zeer belangrijk en haalbaar dat je het logistieke proces ondergeschikt maakt aan kindgerichte zorg. En we weten nu ook zeker dat het haalbaar is.” Joseph: “Als een kind bijvoorbeeld gips krijgt, is het handig om eerst uit te leggen wat er gaat gebeuren en hoe het werkt.

Dan weet het kind waar het aan toe is en het zetten van gips gaat stukken beter, met minder stress.” Rippen: “Vooral de juiste pijnbestrijding is heel belangrijk. Als je verwacht dat een kind geprikt moet worden, smeer je direct Emla-crème op beide handen en aan de binnenkant van de ellebogen. Want als het niet lukt aan de ene kant, heb je van tevoren gezorgd dat je zonder problemen op een andere plek kunt prikken. Misschien smeer je dan te veel Emla, maar vanuit het kind gedacht is het fijn.”

CRITERIA

Voorafgaand aan de pilot zijn samen met kinderen, jongeren, ouders en zorgprofessionals dertig criteria en vier thema’s geformuleerd. Samen maken ze de eisen behoorlijk hoog. Is dat wel haalbaar voor ziekenhuizen? Rippen denkt van wel. “In de pilot hebben we al gezien dat de ziekenhuizen Zilver of Goud kunnen halen als ze bereid zijn om er flink aan te trekken. We hebben de lat met opzet hoog gelegd omdat we de kindgerichtheid willen verbeteren. Daar is ons keurmerk voor. We merken dat het een positief effect heeft omdat ziekenhuizen naar elkaar kijken en daardoor net een stapje harder lopen. Voor kinderen, jongeren en ouders kunnen we op deze manier heel duidelijk en inzichtelijk maken wat ze van de SEH in een bepaald ziekenhuis mogen verwachten. We roepen alle ziekenhuizen met een SEH op om zich te melden, in het belang van kinderen en jongeren.”

Heleen Schoone

Interesse?

Neem contact op met Denise Joseph via d.joseph@kindenziekenhuis.nl of 030 291 67 36. Zij kan alles uitleggen en het document Proces en Theorie toesturen. Of kijk op www.kindenziekenhuis.nl.

Bekijk de Criteria Smiley Spoedeisende hulp!