Met EMDR kunnen kinderen over schokkende ervaringen heen komen

Waarom dit boek?

Met EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) kunnen kinderen en jongeren snel en goed over schokkende ervaringen heen komen, inclusief ervaringen met ziekte en ziekenhuizen. Het Handboek EMDR bij kinderen en jongeren geeft een overzicht van onder meer de toepassingsmogelijkheden, indicatiestelling en het betrekken van ouders en gezin bij de behandeling. Het is bedoeld voor EMDR-therapeuten, maar geeft ook verwijzers zoals (kinder)artsen inzicht in de mogelijkheden. De therapie is geschikt voor kinderen vanaf één jaar.

Bij EMDR wordt aan de patiënt gevraagd om te denken aan een traumatische ervaring en tegelijkertijd naar de bewegende hand van de therapeut te kijken of een andere afleidende taak te doen. Door de afleiding ontstaat ruimte voor verwerking en wordt de herinnering minder emotioneel beladen. Aanvankelijk werd EMDR alleen voor volwassenen met PTSS (posttraumatische stressstoornis) gebruikt, maar inmiddels is de therapie een volwaardige behandelmethode voor veel meer traumagerelateerde klachten bij volwassenen en kinderen. EMDR voor kinderen en jongeren is in Nederland geïntroduceerd door psychotherapeuten Carlijn de Roos en Renée Beer. Sinds 2000 geven ze EMDR-trainingen aan (gezondheids-)psychologen en orthopedagogen. In het handboek hebben ze hun eigen kennis en die van andere EMDR-therapeuten gebundeld en geïntegreerd.

Herinneringen

De vraag of EMDR nuttig is voor kinderen die ziek zijn (geweest) beantwoordt Beer met een volmondig ja. “Zieke kinderen kunnen op allerlei manieren getraumatiseerd raken. Het horen van een diagnose kan schokkend zijn, ze kunnen herinneringen hebben aan pijnlijke interventies, of ze hebben bijvoorbeeld nare herinneringen aan de manier waarop ze bejegend zijn in het ziekenhuis. Op de kinderafdeling gaat het meestal goed, maar daarbuiten tonen artsen en verpleegkundigen soms te weinig empathie. Door de werkdruk kunnen ze snel geïrriteerd zijn en vaak besef en ze niet goed wat kinderen en ouders doormaken. Kinderen kunnen in reactie daarop nachtmerries krijgen, zich dwars gedragen of ander probleemgedrag vertonen.

Met EMDR kunnen beangstigende herinneringen worden opgehaald uit het geheugen en onschadelijk worden gemaakt, waardoor het probleemgedrag en de nachtmerries verdwijnen. Ik heb bijvoorbeeld een jongetje geholpen dat leukemie had en verschillende keren was geopereerd. Hij was zo bang geworden dat hij weigerde mee te werken aan een nieuwe operatie. De EMDR hielp hem om zijn ervaringen te verwerken. Daarnaast heb ik hem geholpen om sterker te worden voor toekomstige ervaringen. Na vijf keer was hij klaar en kon de operatie alsnog doorgaan.”

Volgens Beer beseffen artsen vaak onvoldoende wat psychologen kunnen doen voor kinderen die last hebben van angsten, stemmingswisselingen en depressie of dwars gedrag. “Als ouders zeggen dat hun kind zo moeilijk geworden is nadat het ziek is geweest of in het ziekenhuis heeft gelegen, zouden artsen vaker verwijzing naar een EMDR-therapeut moeten overwegen.” Ze hoopt dan ook dat ook kinderartsen het handboek onder ogen krijgen en dat het wordt opgenomen in ziekenhuisbibliotheken.

Heleen Schoone

Handboek EMDR bij kinderen en jongeren, Renée Beer, Carlijn de Roos e.a.
Uitgeverij LannooCampus, ISBN 978 94 014 1490 6 à €55,-
Informatie over EMDR, opleidingen en geregistreerde EMDR-therapeuten:
Vereniging EMDR Nederland
www.emdr.nl

Kind dwang ziekenhuis Frank Muller

Wilt u uw kind even vasthouden?

Dit is de meest gestelde vraag die ik krijg tijdens een controle of onderzoek in het ziekenhuis. En nee, het gaat hier niet over de gezellige knuffelvariant, dit gaat over ‘de houdgreep’. Door het woord ‘even’ klinkt het bijna alsof het eigenlijk niks voorstelt. Bijna. Want, in het geval van mijn dochter Bommel is het nooit ‘even’. En elke keer vraag ik me af: is die houdgreep nou wel echt nodig, kan het niet anders?

Ik heb ooit eens bijgehouden wat er in één jaar aan medische dingen bij Bommel gebeurde: 32 x bloedprikken, 68 onderzoeken, 7 dagopnames, 63 ziekenhuisovernachtingen en 15 bezoeken aan de Spoedeisende Hulp. Dit betekent dat Bommel 115 x in één jaar onder dwang is behandeld of onderzocht (opnames & overnachtingen niet meegerekend). Dit is wat mij betreft veel te vaak, maar zo gaat het bij haar altijd: in de houdgreep. En wij zijn daar eigenlijk in meegezogen, zo gaat het immers in het ziekenhuis…

Pijnlijke prikken

Bij die 32 x bloedprikken (en alle keren misprikken) is geen enkele keer verdovende zalf gebruikt om de prik pijnloos te maken. Ik wist toen ook helemaal niet dat dergelijke zalfjes bestonden. Best vreemd dat niemand deze optie met ons besproken heeft op die momenten. Het is voorgekomen dat Bommel door 5 mensen in bedwang werd gehouden om bijvoorbeeld een contrastvloeistof in te kunnen spuiten, in haar hoofd. Hoe intimiderend en eng is dat? 5 mensen om je heen die je allemaal stevig vasthouden, jij kunt geen kant op en dan ook nog een pijnlijke prik in je hoofd!

Trauma

De negatieve gevolgen zijn bij Bommel dan ook duidelijk merkbaar. Door wat ze op medisch vlak allemaal heeft meegemaakt, wil Bommel al niet eens meer haar bloeddruk laten meten of op een weegschaal gezet worden. Laat staan dat ze wil gaan liggen op een behandeltafel om wat dan ook te ondergaan, al is het ‘slechts’ een buikecho. De basistruc van afleiden heeft bij haar dan ook helemaal geen effect meer. Ze vertrouwt niemand als ze in het ziekenhuis is en ze weet donders goed wie ze in de gaten moet houden en dat is niet haar speelgoed of een TV! We hebben niet voor niks al met haar bij een Klinisch Psycholoog gezeten voor deze trauma’s.

Geen andere wegen?

Ieder onderzoek opnieuw heb ik mezelf ontelbare keren horen zeggen: “Het is zo voorbij.” Met een knoop in mijn maag, zwetend en opgelucht als het klaar was en ik haar kon troosten. En als ik eerlijk ben gaat het na 5 jaar nog steeds zo. Mijn worsteling met ‘de houdgreep’ (restraint in medische termen) wordt echter steeds groter en ik ga er steeds vaker het gesprek over aan. Ook kijk ik iedere afspraak kritisch of we de terugkomfrequentie verder terug kunnen schroeven. We treffen gelukkig regelmatig artsen & verpleegkundigen die wel even de tijd nemen om met ons te puzzelen. Alleen komt het er ook dan vaak toch nog op neer dat we Bommel moeten vasthouden. Er lijken geen alternatieven te zijn. Er wordt ons in ieder geval geen andere weg geboden.

Gewoon even vasthouden

De ervaring leert dat lang niet iedere zorgprofessional meedenkt. Sommigen nemen het voor lief. Zo hoorde ik eens: “Geen enkel kind van 3 jaar vindt dit onderzoek leuk en huilt.” Dat kan zo zijn, maar is dat dan de factor die het oké maakt? En daarbij: niet elk kind van 3 komt 115 x per jaar in het ziekenhuis.

Toen we laatst een röntgenfoto van Bommels heupen moesten maken, zei een verpleegkundige: “Ik heb geen half uur de tijd om te soebatten over hoe we dit gaan doen. Als u haar gewoon even vasthoudt, dan maak ik snel de foto. Ze is het toch zo weer vergeten.” Een hele foute reactie, op allerlei fronten! Maar ja, deze ‘2 heupen’ moesten opschieten, want de volgende ‘2 heupen’ zaten al in de wachtkamer…

Verstandelijke handicap complicerende factor

Bommel haar verstandelijke handicap maakt dit alles niet makkelijker. Ze heeft geen idee wat er met haar gaat gebeuren. Voorbereiden kan ik haar helaas niet. Ik vertel Bommel wel wat haar te wachten staat, maar ze snapt er helemaal niks van. Het overkomt haar allemaal. Elk onderzoek weer. En iedere keer raakt ze compleet overstuur. Dus vroeg ik me laatst bij de KNO weer af: kan dit niet anders? Die wilde ‘alleen maar even’ in Bommels oren kijken. Haar antwoord was duidelijk: nee. “Het is of narcose of de houdgreep. Voor narcose kiezen we nooit in dit ziekenhuis voor onderzoeken, want daar is ons anesthesie team erg terughoudend in. En voor dit soort onderzoekjes is het een overdreven grote maatregel. Eigenlijk kiezen we altijd voor vasthouden.”

Balanceren & schuldgevoel

Dus, welk alternatief heb ik dan? Ik blijf het lastig vinden. Het is balanceren tussen je kind, je eigen gedachten en gevoelens en tussen de way of life in het ziekenhuis. Iemand zei laatst dat ik naar huis had moeten gaan met die röntgenfoto. Maar dat doe je niet als de afspraak al maanden gepland staat, deze afspraak belangrijk is en je net 1,5 uur hebt gereden + er zijn geen alternatieven voor handen om het anders te doen. Tenminste, daar hoor ik niemand over in het ziekenhuis. Het komt er dus uiteindelijk op neer dat we ons schrap zetten en Bommel met veel tegenzin in de houdgreep nemen.

Want, de vraag “Wilt u uw kind eigenlijk wel vasthouden?” wordt niet gesteld. De redenatie vanuit ouders wat dit betreft is simpel, zo blijkt ook naar aanleiding van mijn vraag op social media: “Als iemand mijn kind dan moet vasthouden, dan doe ik het zelf maar”, kwam veel als reactie. Dat voelt namelijk nog als de minste van 2 kwaden. Ik voel me er echter niet minder schuldig door. Het doet mijn moederhart pijn om Bommel zo te zien en dat zij het kleinste onderzoek als iets vreselijks ervaart. En daar werk ik als haar moeder dan ook nog aan mee, zij het niet vrijwillig, maar toch… Dat wringt enorm!

En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat Bommel groter wordt en sterk is. Hoe gaat het over 2 jaar of als ze 16 is? Duiken we dan ook met 5 man bovenop haar om haar in bedwang te houden?

Kun je de houdgreep altijd vermijden?

Nee, dat denk ik niet, zeker niet in levensbedreigende situaties. Dan heb je weinig keus. Maar daar waar het wél vermeden kan worden, vind ik dat dit ook moet gebeuren. Zeker als je bedenkt dat er veel heftigere ingrepen en onderzoeken zijn die kinderen moeten ondergaan dan wat ik in deze blog benoem. Ook vind ik dat ouders en kinderen geïnformeerd moeten worden over welke opties ze dan hebben. Hierbij heb ik het over álle ouders en kinderen die in een ziekenhuis komen, zorgintensief of niet.

Er zijn meerdere wegen te bewandelen!

Mijn overtuiging is dat niemand dwang wil gebruiken bij controles, onderzoeken of medische ingrepen. Zorgprofessionals niet en ouders & kinderen niet. Maar waarom wordt deze ‘cultuur’ dan in stand gehouden?

Ik heb meer navraag gedaan en het blijkt dat er wel degelijk meerdere wegen te bewandelen zijn en dat ‘de houdgreep’ vaak vermeden kan worden. Maar, waarom weet ik daar dan niks van, ben ik dan zo’n nitwit? Ik vind het werkelijk heel bijzonder dat niemand ons informeert over hoe we het voor Bommel (en dus voor alle betrokkenen) makkelijker kunnen maken. En dat terwijl we in 4 ziekenhuizen komen en meerdere (para)medische centra!

Ik ben verder op onderzoek uitgegaan en ik heb gesproken met dr. Piet Leroy en met Hester Rippen, Directeur van Stichting Kind en Ziekenhuis. Piet Leroy is kinderintensivist in het Maastricht UMC+ en een autoriteit op het gebied van het voorkomen van dwang, pijn en angst bij kinderen. Afgelopen zaterdag stond er een artikel in de Volkskrant over zijn werkwijze en die van zijn team. Kind & Ziekenhuis maakt zich o.a. hard voor het serieus nemen van angst en het voorkomen van dwang bij kinderen die medische zorg nodig hebben.

Start project: Voorkomen van dwang

In samenwerking met hen start ik een project rondom het voorkomen van dwang, pijn en angst. Als je nu namelijk zoekt naar alternatieven, dan vind je weinig tot geen informatie. Het doel van dit project is dan ook om heldere, betrouwbare informatie te geven over welke mogelijkheden er zijn om dwang, angst en pijn te voorkomen. Tips & tricks voor zowel ouders & kinderen, als voor zorgprofessionals. Deze zogeheten handreikingen zullen op één plek gebundeld worden en toegankelijk zijn. We zoeken ouders, jongeren én zorgprofessionals die met ons mee willen denken. Heb je interesse? Mail dan naar info@kindenziekenhuis.nl met als onderwerp ‘voorkomen van dwang’. We nemen spoedig contact met je op.

Uiteraard houd ik je via mijn blog en social media op de hoogte van de vorderingen!

Mantelmama

Vera (37), trotse moeder van 2 dochters (waarvan 1 zorgintensief zonder diagnose), getrouwd, tekstschrijver en spreker. Baant zich een weg door het oerwoud van de medische wereld en schrijft blogs & columns over haar avonturen. Spreekt over haar persoonlijke ervaringen om bij te dragen aan het verbeteren van de Kindzorg.

www.mantelmama.nl

Thuis hoogwaardige en veilige zorg

Thuis hoogwaardige en veilige zorg

Ruim dertig procent van alle zieke kinderen wordt thuis verzorgd. Dat kan veel meer worden als gevestigde partijen zoals ziekenhuizen en zorgverzekeraars meebewegen. KinderThuisZorg doet een proefproject waarbij kinderen met leukemie thuis hun chemo krijgen.

Kinderen met leukemie zijn doodziek en moeten toch bijna twee jaar lang elke week naar het ziekenhuis voor hun behandeling. Meestal is het ziekenhuis niet naast de deur, dus ze zijn lang onderweg, krijgen in het ziekenhuis hun chemo en moeten dan weer naar huis. Ouders nemen noodgedwongen elke week vrij en de kinderen missen een dag op school, wat slecht is voor hun ontwikkeling en sociale leven. Dat kan anders en beter, vindt KinderThuisZorg.

De organisatie is gestart met een proefproject voor het thuis geven van intraveneuze chemo, samen met enkele academische ziekenhuizen en Mediq, leverancier van medicijnen en medische hulpmiddelen. Na de eerste proef van drie maanden met elf patiënten van het Amsterdamse AMC, zijn nu patiëntjes van Radboudumc in Nijmegen aan de beurt. Verpleegkundig specialist Chantal Tersteeg geeft ze één keer per week thuis na schooltijd hun chemo. Voorheen moesten de kinderen elke week voor hun chemo naar het ziekenhuis, nu hoeven ze daar nog maar één keer in de drie weken naartoe. Alleen kinderen met een stabiel bloedbeeld doen mee met de proef, omdat ze niet meer zoveel risico lopen op een infectie.

Muziektherapie

Chantal Tersteeg op weg naar Marleen ter Braak.

Voordelen

Waarom is KinderThuisZorg met dit experiment begonnen? Chantal Tersteeg: “Zorg zonder muren heeft de toekomst, je ziet het overal gebeuren omdat kinderen en ouders het graag willen. Het kan nog wel even duren voordat zorgverzekeraars het gaan betalen, maar daar wilden we niet op wachten. We zijn begonnen met oncologie, maar kinderen met beademing, epilepsie en bijzondere ziekten kunnen ook vaker thuis verpleegd worden. Ik heb ook al een collega die thuis bloedtransfusie geeft. Het levert veel op voor kinderen en ouders: ze hebben minder reistijd, hoeven niet meer in het ziekenhuis te wachten op onderzoeksuitslagen, de kinderen kunnen gewoon naar school en er hoeft niet meer van alles geregeld te worden voor broertjes en zusjes. Wij bewegen met gezinnen mee, in plaats van dat gezinnen zich aan de agenda van het ziekenhuis moeten aanpassen. Het is echt zorg zonder muren.”

Controle

Er is nogal wat weerstand tegen het thuis verplegen van ernstig zieke kinderen, omdat de veiligheid en kwaliteit van de zorg bedreigd zouden worden. Hoe kijkt Tersteeg daar tegenaan? “Ik heb gemerkt dat sommige artsen heel enthousiast zijn en dat andere het lastig vinden. Ze willen zeker weten dat de kwaliteit thuis net zo goed is als in het ziekenhuis. Daarom hebben we afgesproken dat de chemo thuis altijd wordt gegeven door een verpleegkundig specialist kinderoncologie. Ik heb een masteropleiding gedaan waardoor ik meer bevoegdheden heb dan een specialistisch verpleegkundige kinderoncologie.”

Chantal controleert samen met de apotheker van Radboudumc het chemorecept.

“Ik mag een zelfstandige behandelrelatie met patiënten in mijn specialisme aangaan, lichamelijk onderzoek doen, labuitslagen beoordelen, medicatie voorschrijven en beoordelen of en hoeveel chemo het kind mag krijgen. Als ik bij een kind thuis ben en het niet helemaal vertrouw, kan ik altijd op een oncoloog terugvallen die de kinderen kent.”

Kwaliteit is te organiseren

Kinderverpleegkundige Jacobien Wagemaker was van 2012 tot 2016 voorzitter van V&VN kinderverpleegkunde, beroepsvereniging voor kinderverpleegkundigen. Wagemaker vindt het onzin dat verpleging thuis minder goed en veilig zou zijn.

Jacobien Wagemaker: Als je alleen kijkt naar het welzijn van het kind, zou je alle muren tussen instellingen en gezin willen afbreken. De ontwrichtende werking van een ziekenhuisopname is echt groot. We moeten dus kijken hoe we zorg kunnen leveren op de plek waar we kind en gezin het meest steunen. Het is nu al zonder problemen mogelijk om kinderen met sondevoeding of bijvoorbeeld een monitor eerder naar huis te laten gaan. Waarom houd je ze dan in het ziekenhuis?”

“Als een kind in het ziekenhuis ligt, willen de ouders er voor dat kind zijn. Tegelijkertijd moeten ze thuis hun gezin draaiende houden en in balans blijven met werk en andere verplichtingen van zichzelf en de rest van het gezin. Thuis voor een ziek kind zorgen is ook zwaar, maar daar kunnen ouders zelf bepalen wanneer ze welke ondersteuning nodig hebben. Dat maakt de situatie minder zwaar dan in het ziekenhuis. Ook omdat ouders weten dat het beter is voor hun gezin om bij elkaar en met elkaar te zijn en voor elkaar te zorgen.”

“Ik heb dat zelf ervaren toen één van onze kinderen te vroeg geboren werd. We hebben zeven weken op en neer gependeld tussen ons huis en het ziekenhuis en een groot deel van de dag voor ons kind gezorgd, naast de zorg voor onze andere zoon. In het ziekenhuis konden we niet veel hulp uit onze omgeving inzetten, dus de klus kwam helemaal op onze schouders terecht. Dat was heel zwaar. De kwaliteit van de zorg is thuis net zo goed als in het ziekenhuis wanneer thuiszorgorganisaties werken met kinderverpleegkundigen. Kinderverpleegkundigen hebben verstand van de speciale behoeften van kinderen. Die (h)erkennen ze en daar handelen ze naar. De kinderverpleegkundige is opgeleid voor zowel de zorg in het ziekenhuis als thuis. Helaas zetten thuiszorgorganisaties regelmatig verpleegkundigen in die niet specifiek zijn opgeleid voor de zorg aan zieke kinderen.”

“In het ziekenhuis stelt men niet ter discussie dat kinderverpleegkundigen zorgen voor de zieke kinderen kennelijk is dat anders in de eigen omgeving waar kinderen ook heel ziek kunnen zijn met een complexe zorgvraag zoals canulezorg en beademing. Door het nog steeds groeiende tekort aan kinderverpleegkundigen worden andere deskundigen ingezet of staan ouders er alleen voor. Met als argument dat de organisatie geen kinderverpleegkundigen kan krijgen.”

“Dat is ernstig omdat ze niet voldoen aan de normen die we samen hebben gesteld over kwaliteit en veiligheid voor het zieke kind en gezin. Ouders zijn en worden wel de expert van hun kind maar je kunt ze niet verantwoordelijk maken voor alle zorg en verpleging.”

“Een groot bijkomend probleem bij de zorg aan het zieke kind thuis is dat ouders vaak parttime gaan werken of hun baan moeten opzeggen, financieel achteruitgaan en een groot risico lopen om een burn-out te krijgen. De oorzaak ligt niet alleen in de grote belasting die ouders ervaren, maar ook in het niet goed aansluiten van professionals op de behoeften van ouders en gezin.”

“Het argument van hygiëne wordt ook vaak gebruikt tegen thuiszorg. Maar in het ziekenhuis zie je dat het aantal infecties afneemt als de familie veel aanwezig is en voor een kind zorgt. Wie geeft dan de infecties: het gezin of de professional? Het is al lang bekend dat in het ziekenhuis meer kruisbesmettingen zijn dan thuis en dat professionals daarvan de belangrijkste veroorzakers zijn. Het is ook al lang bekend dat medicatiefouten afnemen als familie betrokken is bij de zorg. Dus wat zijn dan de redenen om kinderen in het ziekenhuis te houden? Een operatie is logisch, maar dialyseren en een chemokuur kunnen thuis onder de juiste randvoorwaarden en met inzet van gespecialiseerde verpleegkundigen.”

“Ouders van een ziek kind en het zieke kind willen zelf onderdeel zijn van het zorgteam en zetten zich daarvoor in. Een vertrouwensrelatie in het zorgteam met ouders en kind is daarvoor de eerste randvoorwaarde. Vanuit dat vertrouwen volgt het gesprek over wat het gezin nodig heeft om de zorg thuis mogelijk te maken, problemen te bespreken en te kijken welke ondersteuning ingezet kan worden vanuit het gezinsnetwerk of het professionele netwerk.”

In het ziekenhuis neemt het aantal infecties af als de familie veel aanwezig is en voor een kind zorgt.

“Te vroeg geboren baby’s liggen nu vaak nog lang in het ziekenhuis. Ze kunnen eerder naar huis met verpleging en verzorging, als ouders dat willen en kunnen. Een kind met een infectie dat antibiotica nodig heeft hoeft niet altijd opgenomen te worden. Ook thuis kan een infuus met antibiotica gegeven worden. Daarmee blijft het kind in de eigen omgeving en blijft het gezin beter in balans. En waak er dan voor om uit te gaan van de kosten. Dit is nooit echt onderzocht. Veelal wordt gedacht vanuit directe, zichtbare kosten. Disbalans in een gezin leidt regelmatig tot gezondheidskosten die niet mee worden genomen in de berekeningen. Ook reis- en verblijfskosten, organisatie van opvang, meer kosten voor maaltijden (ouders koken thuis voor hun gezin en moeten zelf in het ziekenhuis eten) worden niet meegenomen. We kunnen wel bedenken welke voordelen het kostentechnisch heeft, maar die strekken zich ook uit naar de toekomst. Ga niet in de eerste plaats uit van de kosten van de zorgaanbieder, maar van de behoeften van kind en gezin, daar is direct gezondheidswinst te behalen. Neem je die winst als uitgangspunt, dan verplaats je een groot deel van de zorg naar huis. Zeventig procent van de zorg kan weg uit het ziekenhuis.

Bloedonderzoek

Het is wel jammer dat er nog geen thuismeetapparatuur is voor de bloedwaarden die voor de chemo belangrijk zijn, zegt Tersteeg. “Er bestaan wel apparaatjes voor glucose en trombose, maar nog niet om de witte bloedcellen en de afweer te meten. Daardoor kan ik het bloedonderzoek niet op dezelfde dag doen als het geven van de chemo. Dat hebben we opgelost door een kinderverpleegkundige van KinderThuisZorg een dag van tevoren bij het kind thuis bloed af te laten nemen. De volgende ochtend krijg ik de uitslag, voordat ik naar de kinderen ga. Op dat moment beoordeel ik of het veilig is om de chemo te geven.”

Thuis zijn kinderen minder gestrest dan in het ziekenhuis.

Doel

Natascha Kok is net als Tersteeg verpleegkundig specialist kinderoncologie. Ze heeft de eerste proef in Amsterdam uitgevoerd. “De kinderen kregen drie maanden lang thuis
shots MTX en cytarabine toegediend. Na de pilot wilden  ze niet terug naar het ziekenhuis voor de chemo. Dat is voor mij een belangrijk teken dat het doel van het project is gehaald: het verbeteren van het leven van het kind.

Vooraf waren ziekenhuizen terughoudend, ze vonden het niet veilig. Alleen AMC en Radboudumc durfden het aan. Uit de pilot blijkt dat het veilig is, er heeft zich geen enkel probleem voorgedaan. Het belangrijkste effect is misschien wel dat de sociale belasting van ouders veel minder groot was. Ze konden gewoon naar hun werk en waren net als altijd thuis als de kinderen uit school kwamen. De kinderen hadden thuis een betere hartslag en bloeddruk dan in het ziekenhuis. Daar waren ze gestrester, sommige kinderen huilden en verzetten zich meer. Dat is een belangrijk resultaat. Het moeilijke is dat het om een kleine groep kinderen gaat, je bent veel langer dan bij volwassenen bezig met bewijs verzamelen, maar we willen hier echt mee verder: meer kinderen thuis verzorgen, meer soorten chemo geven. We hopen dat de zorgverzekeraars snel toestemming geven om door te gaan.”

Marleen ter Braak.

Marleen samen met haar ouders Laura en Dennis.

Hester Rippen, directeur Kind & Ziekenhuis

“Het Medische Kindzorgsysteem bevordert dat zieke kinderen en hun gezin in hun eigen omgeving medische zorg krijgen. Dan moet altijd worden voldaan aan de randvoorwaarden: flexibele zorg; goede informatie voor kind en gezin; ruimte voor ontwikkeling van het kind; zorg zo nodig en waar nodig; samenwerkende professionals; verpleegkundige handelingen door een kinderverpleegkundige; indiceren en organiseren van zorg door een kinderverpleegkundige niveau 5 of verpleegkundig specialist; de veiligheid moet altijd gewaarborgd kunnen worden.”

De belevingswereld van het kind…

Maandelijks op de nieuwsblog Kind&Zorg: een column van de Vakgroep Pedagogische Zorg in het Ziekenhuis Nederland over wat zij meemaken in de praktijk.

“Mama, ik houd mijn longensteek en sondevoeding wel en dan gaan we naar huis.” Een van de kinderlijke, wijze opmerkingen die de vier jarige Luuk maakt wanneer ik hem en zijn moeder voorbereid op de plaatsing van de PEG sonde, een toegang voor sondevoeding via een gaatje in zijn buik. Luuk kijkt geïnteresseerd naar de pop die ik daarvoor gebruik. Ik vraag Luuk een naam voor de pop te bedenken. Hij roept enthousiast: “T-rex, de pop moet T-rex heten!” Zijn moeder en ik lachen hardop, Luuk is gek op dino’s.

Luuk is uitgebreid bekend in het ziekenhuis. Meerdere malen is hij opgenomen met eetproblemen. Sinds een paar maanden heeft Luuk volledige sondevoeding. Luuk heeft vaak nieuwe neussondes gekregen, waardoor dit inmiddels een grote stressfactor voor hem is geworden. Dit keer is hij twee weken voor de plaatsing van de PEG sonde opgenomen voor een longontsteking. Een “longensteek” in Luuk zijn woorden. Deze is inmiddels verholpen en de plaatsing van de PEG sonde kan doorgaan.

Ik leg T-rex in zijn bedje, doe hem een ziekenhuispyjama aan en vertel hem dat we een stukje gaan rijden. “Eenmaal bij de dokter krijgt T-rex slaapmelk en mag hij een mooie droom uitzoeken. Als T-rex wakker wordt heeft hij een rietje in zijn buik. Via dat rietje kunnen wij T-rex eten geven”, zeg ik. Luuk kijkt aandachtig naar de pop met de PEG sonde. “Ik wil geen slangetje in mijn buik” herhaalt Luuk regelmatig.

Als medisch pedagogisch zorgverlener ben ik mij bewust van de woordkeuzes die ik maak. Ik sluit me aan bij zijn belevingswereld en neem zijn woorden over. Zijn moeder en ik proberen hem gerust te stellen. We benoemen meerdere malen dat zijn neussonde er dan uit mag en hij die nooit meer nodig heeft. Door het positieve effect te herhalen en uit te spreken dat het Luuk zal helpen, probeer ik hem in zijn kracht te zetten.

Ik besluit de ochtend voor de operatie om het playmobil ziekenhuis tevoorschijn te halen. Door het spel kan ik zijn beleving observeren en hierop inspelen door mee te spelen in het spel. Luuk kijkt met grote ogen naar alle spulletjes die bij het playmobil ziekenhuis zitten en graait in alle spulletjes. Van Cliniclowns tot infuuspaal, Luuk kan ze allemaal benoemen. “Maar Nadeche waar zijn Lara (collega mpz) en jij dan? En is er ook een speelkamer?”

Wanneer we in de middag aan de beurt zijn voor zijn narcose, ondergaat Luuk alles stoer. Wat vooral spannend is voor zijn moeder en ons, is hoe hij zal reageren op een PEG sonde in zijn buik: zal hij hem eruit willen trekken? Zal hij verdrietig zijn?

Wanneer Luuk terugkeert op de afdeling lopen de verpleegkundige en ik samen naar binnen. Luuk voelt met nieuwsgierige glimlach aan zijn neus en constateert blij dat zijn slangetje uit zijn neus is. Daarna slaan we zijn deken van hem af en schuiven zijn ok jasje omhoog. Luuk kijkt naar zijn buik, wil even aan het gaasje voelen wat erop zit en blijft even stil. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht en vraagt hij: “Mag ik hem alsjeblieft ook mee naar huis nemen?”

Nadeche van Rijn
Vakgroep medisch pedagogische zorg Nederland

De medicijnen strijd…

Maandelijks op de nieuwsblog Kind&Zorg: een column van de Vakgroep Pedagogische Zorg in het Ziekenhuis Nederland over wat zij meemaken in de praktijk.

Een telefoontje van de spoedeisende hulp. Een jongetje van 3,5 met een flinke ontsteking van zijn amandelen wordt opgenomen. Het lukt zijn ouders niet om te zorgen dat Patrick zijn medicatie inneemt. Een vaker terugkerende pedagogische hulpvraag.

In gesprek met vader, een consequente en adequate man, concludeer ik dat ze eerder een ‘misstap’ zijn begaan. Op de vraag ‘Hebben jullie al eerder medicatie moeten aanbieden en hoe hebben jullie dit gedaan?’ antwoordt hij: ‘Gewoon zonder te vertellen in zijn drinken gemengd’. Een goed bedoelde actie, maar wel een actie die het vertrouwen van Patrick geschaad heeft. Deze medicijnen proefde hij. Nu wil hij niet meer drinken en zeker de medicijnen niet meer innemen.

Het is een pittige strijd om kinderen van deze leeftijd medicatie in te laten nemen. Eten, drinken, poepen en plassen zijn machtsmiddelen en precies op deze leeftijd gaan ze de strijd graag aan. Het pedagogische advies een laconieke houding aan te nemen en de strijd te negeren voelt in het geval van medicatie als een onmogelijke.

Toch blijft dit wel het advies, met uiteraard nog een aantal basis voorwaarden: op kindniveau uitleggen en herhalen waar de medicijnen voor bedoeld zijn en laten zien als het medicijn ergens doorheen gemengd wordt. Peuters en kleuters hebben houvast aan structuur en duidelijkheid. Een vast stappenplan met een positieve afsluiting, ook als het niet goed ging, is vaak de uitkomst om te zorgen dat ze zich uiteindelijk over geven en het accepteren.

Samen met de vader in het bijzijn van Patrick speel ik de medicatie-inname na op een pop. De pop mag kiezen uit twee manieren van innemen. Met het spuitje of met een piratenriet en beker. Patrick helpt de pop met drinken en kiest een sticker voor hem uit als het klaar is. ‘Goed gedaan pop Bas!’
Vervolgens volgen we dezelfde stappen met Patrick. Vol aandacht luistert hij en kiest hij net als de pop voor de piratenbeker en riet. In onze communicatie herhalen we met regelmaat dat de medicijnen nodig zijn om te zorgen dat zijn keel zich beter gaat voelen. We blijven eerlijk, en benoemen dat als het niet lukt we hem even vast moeten houden om hem te helpen en het via het spuitje in de mond zullen geven.

Zodra de medicijnen echt in beeld komen verandert Patrick zijn houding. Hij wordt alerter en neemt letterlijk afstand. Hoe goed en aandachtig hij ook meedeed in het spel en zelf de keuzes maakte de medicijnen blijven, na een dag oefenen, niet binnen. Uiteindelijk moeten de medicijnen toch 5 dagen via een sonde gegeven worden. Patrick kan rustig beter worden.

In de speelkamer drinkt hij vanaf de derde dag weer met smaak een beker limonade, waardoor ook zijn ouders weer gerust zijn.

Patrick zijn lichamelijke welzijn staat het pedagogische geduld, rust en het positieve effect van een vaste structuur hanteren in de weg. Er is geen tijd om voorspelbaarheid te creëren en zijn vertrouwen terug te winnen. Niet vaak en zeker niet graag, laat ik de medische oplossing van de pedagogische winnen.

Anne Weenink
Medisch pedagogische zorg Nederland

Behandeling op Intensive Care is traumatisch voor kinderen

Naar schatting belanden jaarlijks vijfduizend kinderen in Nederland op de Intensive Care van een ziekenhuis. De behandeling is voor patiëntjes soms zo indrukwekkend dat ze er een ernstig trauma aan overhouden.

De intensieve zorg van ziekenhuizen is de afgelopen dertig jaar enorm verbeterd, blijkt uit een inventarisatie van NRC. In de jaren ’80 overleed nog bijna de helft van alle kinderen die op de Intensive Care terechtkwamen. Tegenwoordig is dat nog maar vijf procent.

Maar die enorme verbetering komt weer met nieuwe uitdagingen. Soms is de behandeling zo zwaar en beangstigend dat kinderen een trauma overhouden aan de procedure. Ze krijgen daardoor last van langdurige angstklachten, woede-aanvallen, concentratiestoornissen en ontwikkelingsproblemen.

Eén op zeven kinderen PTSS

Dr. Madelon Bronner promoveerde op haar onderzoek naar posttraumatische stress bij kinderen na een ziekenhuisopname. Volgens haar promotieonderzoek bij het AMC krijgt ongeveer een op de zeven kinderen last van Posttraumatisch Stressstoornis (PTSS) na een intensieve behandeling in het ziekenhuis.

Gek genoeg is niet de ernst van de ziekte bepalend bij het ontwikkelen van PTSS. Ook de duur van de opname, en zelfs de leeftijd van het kind hebben nauwelijks effect op de mate waarin kinderen last krijgen van een emotioneel trauma. De belangrijkste voorspeller voor de ontwikkeling van PTSS is de stressreactie van ouders. Hoe meer paniek er bij de vader of moeder van het kind leeft, des te groter de kans dat het kind last krijgt van posttraumatische stress.

Oorzaak: stressreactie bij ouders

“Het lijkt erop alsof de stressreactie van ouders ‘besmettelijk’ is”, legt Bronner uit via de telefoon. “Vooral bij jonge kinderen is dat het geval.” Daarom is het belangrijk dat behandelaars aandacht hebben voor de emoties van ouders, maar ook die van kinderen. “Dat kan in hele kleine dingen zitten”, zegt de medisch psychologe. “Bijvoorbeeld wanneer een apparaat allerlei piepjes maakt, de verpleegkundige het apparaat uitzet en zonder iets te zeggen weer wegloopt. Dat leidt bij ouders snel tot stress: ‘wat is er allemaal aan de hand’, denken ze dan.”

Lees meer…

‘Wanneer komt mijn mama?’

Maandelijks op de nieuwsblog Kind&Zorg: een column van de Vakgroep Pedagogische Zorg in het Ziekenhuis Nederland over wat zij meemaken in de praktijk.

Drie ambulancemedewerkers en een brandweerman komen de afdeling oplopen. De blik van deze mensen omvat de tragiek die zij zojuist gezien hebben. De brandweerman draagt een meisje met een angstige blik. Ze trilt. Ze heeft haar knuffel stevig vast.

Die ochtend heeft er een noodlottig ongeval plaatsgevonden waarbij de moeder van het meisje om het leven is gekomen. Wonder boven wonder is het meisje van vier jaar oud, buiten wat schaafwonden, nagenoeg ongedeerd gebleven.  Als medisch pedagogisch zorgverlener word ik er bij gevraagd om dit meisje mee op te vangen totdat de politie haar familie heeft achterhaald en zij herenigd kan worden met hen.

Het meisje zit verstard op schoot bij de brandweerman, hij heeft zich na het ongeluk over haar ontfermd, ze wijkt niet van zijn zijde. Het is stil in de kamer. Het meisje kijkt angstig om haar heen, ze heeft geen idee waar ze is beland. Om contact met haar te maken en haar gerust te stellen probeer ik te benoemen wat het meisje allemaal ziet in deze ruimte. Ik krijg van haar bevestiging doordat ze voorzichtig ja knikt.  Ik zing heel zachtjes een kinderliedje, de brandweerman zingt met tranen in zijn ogen mee. Later vertelt hij me dat hij zelf kinderen in deze leeftijd heeft. Heel voorzichtig kijkt het meisje me aan, als ik haar vraag of we nog een liedje voor haar zullen zingen, knikt ze instemmend.

Ik wil proberen om het meisje heel voorzichtig uit haar verstarde positie te krijgen, zodat het meisje weer ruimte krijgt voor haar gevoelens en ik in kan spelen op wat zij nodig heeft. Hierbij is een belangrijke taak weggelegd voor de medisch pedagogisch zorgverlener. Ik pak een bellenblaas en vraag op zachte toon of ik een héle grote bel moet blazen, of een kleine. Ze fluistert; ‘een hele grote’. Met grote ogen volgt ze de bel die in de ruimte zweeft, ze reikt met haar hand naar de bel, een voorzichtige glimlach volgt. Bij de bellen die volgen, beweegt ze steeds meer om de bellen kapot te prikken. Uiteindelijk gaat ze staan en loopt voorzichtig achter de bellen aan.

Na een poosje is haar veerkracht terug. Ze fluistert niet meer, maar is duidelijk te verstaan, het meisje begint ook steeds meer uit zichzelf te vertellen en te doen. ‘Ik ga een tekening voor mijn mama maken, want mama heeft pijn aan haar hoofd’. Ze vervolgt ‘ik moest heel hard huilen, want ik was geschrokken’.  Even later wordt in haar spel duidelijk wat het meisje heeft meegemaakt deze ochtend. Haar knuffel krijgt pleisters en verband, precies op dezelfde plek als het meisje. Vervolgens wordt de knuffel door het meisje in het ziekenhuisbed ondergestopt, en zegt ze ‘de knuffel moet even rusten want die is ook erg geschrokken en moet weer beter worden’. Het meisje wrijft de knuffel over haar voorhoofd, ze vraagt de brandweerman een slaapliedje te zingen. Want, ‘dat doet mama ook altijd’.

Dan krijgen we van de politie te horen dat vader achterhaald is en op weg is naar de kinderafdeling, gelukkig kunnen we haar dan overdragen aan haar familie. Waarop het meisje vraagt; ‘Wanneer komt mijn mama?’…

Chantal van den Akker
Vakgroep pedagogische zorg in het ziekenhuis Nederland

Nieuwe CT voor Sophia

Kinderen die in het Erasmus MC-Sophia een CT-scan moeten laten maken, hoeven veel minder vaak onder narcose of sedatie, dankzij een hypermodern apparaat dat onlangs in gebruik is genomen.

Nieuwe locatie
De Somatom Drive Dual Source CT van Siemens is de volledige naam van de nieuwe CT-scanner van het Sophia. Het apparaat staat op een nieuwe locatie, in de gang van de oude spoedeisende hulp (Sb-1721). De oude, die uit 2003 stamt, was technisch en stralingshygiënisch aan vernieuwing toe.

Stil liggen
De nieuwe scanner wordt ook ingezet voor volwassen patiënten, maar is bij uitstek geschikt voor kinderen, vertelt Marcel Dijkshoorn, researchlaborant CT op de afdeling Radiologie & Nucleaire Geneeskunde: “De röntgenstralenbelasting ligt bij het nieuwe apparaat aanzienlijk lager. Daarnaast is hij veel sneller, waardoor beweging op de beelden wordt uitgesloten. Dat is ook de reden dat op minder geavanceerde scanners kinderen sedatie of narcose moeten krijgen: het is voor kinderen vaak moeilijk om stil te blijven liggen of ademcommando’s op te volgen.”

Groot voordeel
De lagere belasting en betere beeldkwaliteit ten opzichte van de oude scanner geeft meer diagnostische mogelijkheden en heeft daardoor nog een groot voordeel, aldus Dijkshoorn: “Het CT-onderzoek kan in sommige gevallen een meer belastend onderzoek zoals een katheterisatie of scopie vervangen.”

Vrolijke vorm
De oude CT-scanner was vrolijk vormgegeven, maar bleef indrukwekkend voor kinderen in een wat donkere, kleine ruimte, met veel apparatuur en losse attributen. De nieuwe locatie is ruimer van opzet, waardoor beangstigende apparatuur en hulpmiddelen minder opvallen of beter kunnen worden weggewerkt. Ook kan een kind zelf als afleiding de kleur van de verlichting van de kamer kiezen en is in het plafond een zogeheten ‘sky ceiling’ met een waterthema verwerkt.

Meer informatie over medische straling is te vinden in het magazine Straling.

‘Lach’ Gas

Maandelijks op de nieuwsblog Kind&Zorg: een column van de Vakgroep Pedagogische Zorg in het Ziekenhuis Nederland over wat zij meemaken in de praktijk.

Lachgas? Dat zijn toch die zilveren gaspatroontjes die je op parkeerplaatsen tegen kunt komen? Die gebruikt worden als drugs? Klopt, heel gevaarlijk! Lachgas in het ziekenhuis? Klopt, veilig! Uiteraard toegediend onder supervisie van een arts en een mix met zuurstof. Lachgas om te zorgen voor minder pijn en stress bij spannende, pijnlijke gebeurtenissen of ingrepen.

Jasmijn is een meisje van 6 jaar die opgenomen ligt met een geïnfecteerde wond aan haar voet. Deze wond moet elke dag schoongemaakt worden. Jasmijn is daar erg angstig voor. Ze heeft in het verleden een nare ervaring met haar voet meegemaakt. Het glas in haar voet is destijds door de huisarts verwijderd en de wond gehecht zonder verdoving! Ouders hebben Jasmijn hierbij stevig vast moeten houden. Naast de pijn die Jasmijn heeft gehad was er ook totale paniek, zowel bij Jasmijn als bij haar ouders. Na de pijnlijke, stressvolle wondverzorging van haar voet vroeg moeder of dit niet anders kon. We konden Jasmijn en ouders gerust stellen. We hebben lachgas!

Ouders zouden de pijn en angst van hun kind het liefst over willen nemen. Ze voelen zich vaak machteloos wanneer zij moeten toekijken hoe hun kind een onderzoek ondergaat. Hun kind kijkt ze met angstige, verdrietige ogen aan die zeggen: HELP mij. Vooral in acute situaties worden zowel het kind als de ouders geconfronteerd met onder andere angst, onzekerheid, paniek en verdriet. Lachgas biedt vooral voor hele angstige kinderen of kinderen met al eerder een traumatische ervaring een prima uitkomst. Door het geven van lachgas ervaren kinderen dat het ook anders kan waardoor stress en angst afnemen.

Voor het geven van lachgas ging ik samen met Jasmijn bedenken waarover zij ging dromen. Zij wilde naar feeënland. Via een armband kan Jasmijn die wereld in waar feeën en eenhoorns in een bos wonen. De arts die het lachgas geeft wordt ingelicht over het verhaal en neemt Jasmijn mee op reis. Jasmijn gaat liggen, de arts zet het kapje over haar neus en mond en vertelt dat ze rustig mag door ademen en feeënland in mag gaan. Tijdens het onderzoek wordt jasmijn een beetje bang. Ze trekt haar voet weg maar begint snel te lachen en roept: “het kietelt”. De arts vertelt rustig het verhaal van de feeën en alle dieren in het bos. Jasmijn ligt er ontspannen bij, tot grote opluchting van moeder. Toen het verzorgen van de wond klaar was en de lachgas gestopt werd, wilde Jasmijn nog niet terug komen uit feeënland. Het was er TE leuk!

Als medisch pedagogisch medewerker speel je een grote rol in de voorbereiding op lachgas. Samen oefenen voor acceptatie van het kapje, de ruimte en het apparaat ontdekken. En heel belangrijk het verzinnen van een mooi verhaal. Daarnaast is de medische pedagogische medewerker een constante en vertrouwd persoon voor het kind zodat hij/zij zich vertrouwd en veilig kan voelen. Hierdoor is er een grotere slagingskans dat het kind de procedure goed doorloopt.

Een behandeling zonder stress, angst en pijn is wat een ieder in het ziekenhuis naar streeft. Zou het gebruik van lachgas niet een optie moeten zijn in ieder ziekenhuis?

Sanne Docter
Vakgroep pedagogische zorg in het ziekenhuis Nederland

‘Ik ben boos!’

Maandelijks op de nieuwsblog Kind&Zorg: een column van de Vakgroep Pedagogische Zorg in het Ziekenhuis Nederland over wat zij meemaken in de praktijk.

Samen met Kyara en haar broer slaan we met onze vuisten op de tafel. ‘Ik ben boos!!!’ ‘Ik ben boos!!’ ‘Ik ben boos!’ spreken we hard uit. Daarna stampen we met onze voeten. ‘Ik ben boos!!!’ ‘Ik ben boos!!’ ‘Ik ben boos…!’ Onze gezichten spreken voor zich en de ouders kijken bedenkelijk vanaf een afstandje mee.

Plots zie ik een andere beweging in Kyara haar armen ontstaan. Ze is even stil en ze kijkt naar haar broer en mij. Onze vuisten raken de tafel nog een paar keer aan. Kyara haar armen swingen meer heen en weer en haar schouders doen mee. Haar ogen twinkelen weer en eerst aarzelend, daarna hardop hoor ik ‘Ik ben blij!’ ‘Ik ben blij!!’ ‘Ik ben blij!!!’

Kyara laat het belang van ruimte voor het uiten van je emoties zien. Toen ik die ochtend haar kamer binnen kwam lag ze nog gespannen, zonder enige beweging, in haar bed. Ze volgde alles met haar ogen en verroerde zich geen millimeter. De botsing op het schoolplein, de ambulance rit naar het ziekenhuis en het gipsen van haar arm hebben grote indruk gemaakt op het meisje van 6 jaar.

Gedurende de dag stimuleer ik Kyara samen met moeder tot meer beweging door middel van uitleg en spel. Langzaam ervaart ze dat de dokter de pijn in haar arm gestopt heeft en dat het roze gips ervoor gaat zorgen dat haar arm weer beter wordt. Wanneer haar vader en broer in de middag op bezoek komen, weet ze dat ze haar andere arm gewoon kan bewegen zonder pijn en wil ze hen graag het prinsessen kasteel in de speelkamer laten zien. Ik verwacht dat Kyara, waar ze vanmorgen er alleen nog naar keek, nu ook het kasteel zelf zal gaan inrichten. Dat ze nu weet dat haar andere arm gewoon kan bewegen, zonder pijn.

Eenmaal in de speelkamer rijden we de rolstoel voor het kasteel. Kyara blijft echter stil zitten, haar wenkbrauwen zijn gefronst en ze wordt weer stil. Ik vraag haar of ze boos is. Een luide ‘Ja!’ is het antwoord en haar gezicht spreekt mee. Na wat vragen blijkt dat ze boos is op haar arm en op het speelplein. Dit maakt dat ik vertel dat met je vuisten op de tafel slaan en met je voeten stampen dan kunnen helpen om de boosheid er uit te gooien.

Ieder kind, ieder broertje of zusje en iedere ouder reageert anders op een val op een schoolplein, een verkeersongeval of een ziekenhuis opname. Dat er sprake is van meerdere emoties is een feit. Het is van groot belang dat er aandacht en ruimte voor deze emoties is, dat het hele gezin door medisch pedagogische zorg en medisch personeel gestimuleerd wordt om deze emoties te laten zien. Wanneer deze gevoelens weggestopt worden kunnen ze het herstel vertragen of belemmeren. Een traan laten rollen, even flink op de tafel bonken of sorry zeggen, zorgt ervoor dat er weer kracht ontstaat om de situatie aan te kunnen en sterk te zijn.

Kyara swingt van de speelkamer terug naar de afdeling. Wanneer de verpleegkundige wil controleren of de armsling goed om haar gipsarm zit komt Kyara uit de rolstoel en durft ze haar arm te laten hangen. De twee voorwaarden die golden om naar huis te mogen. De boosheid moest er uit voordat Kyara de laatste stappen om naar huis te gaan kon zetten. Een half uur later zijn de tassen gepakt en zwaaien ouders, broer en Kyara met haar goede arm vrolijk naar ons. Ze gaan naar huis!

Anne Weenink
Vakgroep pedagogische zorg in het ziekenhuis Nederland