Twee weten meer dan één, toch? | Blog mama Ilse

Als je ooit met je kind in het ziekenhuis bent geweest, dan heb je het zinnetje vast gehoord: ‘Ouders kennen hun kind het beste’. Een AIOS kindergeneeskunde vertelde me op de SEH, tijdens een epileptische aanval van mijn dochtertje Merle, dat ze dit motto kon dromen. “We worden getraind in samenwerking met de ouders. Het wordt er in geramd. En terecht. De ouders weten als geen ander wie hun kind is. Als kinderarts moeten we samenwerken met de ouders om te beslissen welk beleid het beste is voor het kind.” Het klonk mij als muziek in de oren, want ja: zo zou het inderdaad moeten zijn. De ouders als individuele kinderdeskundige samen met de kinderarts als medisch deskundige. Het beste van twee werelden gecombineerd om topzorg te leveren.

Toen Merles saturatie weer boven de 90 kwam, haar lijf stopte met trillen en haar wangetjes roze kleurden, dacht ik nog eens na over die uitspraak. Als iedereen samen beslissen zo belangrijk vindt, waarom gebeurt het dan nog te weinig? Waarom noemde de dame van het thuiszorgteam mij overbezorgd toen Merles hart er langzaam mee stopte tot het gereanimeerd moest worden? Waarom moest Merle bij het schisisteam ‘happen’ terwijl dat medisch gezien niet noodzakelijk en voor haar ronduit onwenselijk was? Waarom schreef de kinderarts haar standaard te veel en te zware voeding voor, ondanks onze uitleg over het dagelijkse projectielbraken? Waarom mocht er toch iedere keer eerst een AIOS, dan een AIOS, gevolgd door een staflid en uiteindelijk een anesthesist talloze keren proberen een infuus te prikken als Merle weer een status epilepticus had?

Ik kan me voorstellen dat shared decision making voor zorgverleners spannend kan zijn. Want het kan betekenen dat je beleid anders wordt, dan wat je normaal zou doen. Dat je in een individueel geval toch afwijkt van wat evidence based de beste oplossing blijkt te zijn. Dat je betrouwbare studies met een grote onderzoekspopulatie negeert en afgaat op een succesverhaal uit een Facebookgroep voor kinderen met dat ene specifieke syndroom. Wat als het mis gaat? Kun je je handelen dan nog verantwoorden? Die medische verantwoordelijk is een zware last.

Ook voor ouders is deze gedeelde verantwoordelijkheid geen lichte keuze. Het vergt van je, dat je je inleest. Je moet vertrouwd raken met medische terminologie en merk- én stofnamen van medicatie. Pubmed wordt je nieuwe Google en je interpreteert moeiteloos de verschillende parameters op de hartbewakingsmonitor. Dat moet je maar kunnen. En willen. Want als je je gaat bemoeien met de inhoudelijke zorg, heb je misschien minder tijd voor die knuffel of aai over een bolletje. En dat heeft je kind in het ziekenhuis juist extra nodig.

Waarom ben ik dan toch zo’n voorstander van samen beslissen? Om dat ik gemerkt heb (n=1) dat de beste beslissingen voor Merle, genomen werden na uitgebreid overleg. Neem de diëtiste die samen met mij een verantwoord én beter verteerbaar dieet bedacht, waardoor Merle stopte met spugen en ‘ineens’ kleine stapjes vooruit maakte bij fysiotherapie. Of de kinderarts, die na een opsomming van fouten bij opnames en operaties aanbood om als casemanager te fungeren, waardoor alles veel makkelijker verliep. Denk aan de neuroloog die niet het eerste keuze anti-epilepticum voorschreef, toen ik vertelde dat Merles vrienden in Amerika hier slecht op reageerden. Al deze beslissingen hebben de kwaliteit van leven van Merle verhoogt. En volgens mij is dát precies waar het om moet gaan. Want er zal geen enkele zorgverlener of ouder zijn, die dat niet bovenaan het prioriteitenlijstje heeft staan.

Mama Ilse

Ilse Ooms (1980) is de moeder van Merle. Merle werd in 2010 geboren met een zeldzame chromosoomafwijking waardoor zij meervoudig beperkt was. In 2013 overleed zij aan de gevolgen van een longontsteking. Ilse schreef een boek ‘Bikkeltje’ om hun verhaal te kunnen delen en hoopt zorgverleners te inspireren om dingen soms nét even anders te doen, met oog voor het individuele kind en gezin. Bikkeltje is te koop bij (online) boekwinkels en op www.bikkeltje.nl.De opbrengst van het boek gaat naar stichting ZeldSamen (voormalig VG Netwerken).

Cursus over kinderen als medeonderzoeker

Voor haar promotieonderzoek “Meedoen aan onderzoek: kinderen aan het woord!” interviewde Malou Luchtenberg kinderen over hun ervaringen met het hebben van een ziekte en vroeg ze hen hoe het is om mee te doen aan medisch-wetenschappelijk onderzoek. Ze wil hiermee kinderen een stem geven om hen beter te kunnen betrekken bij onderzoek. Om te voorkomen dat Malou alles wat kinderen hebben verteld verkeerd zou begrijpen, vroeg ze aan kinderen, onder wie Hetteke Hiltermann, om haar te helpen met het analyseren van de interviews. Hetteke zit in groep 8 en is 11 jaar. Laura Postma is een collega van Malou en doet onderzoek naar de manier waarop kinderen het beste betrokken kunnen worden bij een medisch-wetenschappelijk onderzoek. Laura en Malou zijn onderzoekers aan de Rijksuniversiteit Groningen en het Universitair Medisch Centrum Groningen.

Op vrijdag 22 maart gingen Hetteke, Laura en Malou samen naar een cursus over jongerenparticipatie in onderzoek. Hieronder vertellen ze over hun ervaringen.

’s Ochtends zaten we al vroeg in de trein van Groningen naar Utrecht, waar we om half tien aankwamen. Er waren iets meer dan twintig onderzoekers en andere mensen die werken in jongerenorganisaties en tien jongeren, van wie Hetteke veruit de jongste was. Dat was wel even spannend maar was ook juist wel leuk. Na de kennismaking gingen de jongeren met elkaar in overleg over de vraag “Wat is nou een goede onderzoeker?” en kreeg de rest een lezing over participatief onderzoek met jongeren. ’s Middags gingen we in groepjes allerlei interactieve manieren uittesten om samen onderzoek te doen.

Superkracht in Lego

Laura nam deel aan de workshop ‘Lego serious play’. Bij deze methode maak je gebruik van je handen in plaats van woorden voor het beantwoorden van vragen. Het schijnt zo te zijn dat je bij het beantwoorden van vragen met je handen maar liefst 80% van je hersenen gebruikt, terwijl je maar 15% gebruikt wanneer je de vraag met woorden zou beantwoorden. De vraag die aan ons gesteld werd tijdens de Masterclass was: “Wat is je superkracht?” Vervolgens kregen we vijf minuten de tijd om met Lego onze superkracht uit te beelden. Aan het eind vertelde iedereen aan de hand van het kunstwerk wat zijn of haar eigen superpower was. We kwamen allemaal aan het woord en iedereen kon (letterlijk én figuurlijk) een steentje bijdragen!

Aan de knutseltafel

De stroming
De stroming

Hetteke en Malou zaten aan de knutseltafel en maakten samen ‘De stroming’. Met het kunstwerk laten we zien hoe je in verschillende stappen samen onderzoek kunt doen: Je begint tussen de bomen, waar het een beetje chaos is en alles dicht op elkaar staat zodat je even moet zoeken om elkaar te kunnen vinden. Je ziet nog niet direct een uitweg. Als je elkaar vindt, dan stap je in het bootje en brengt de stroming je verder, zodat jullie samen tot een oplossing komen. Soms kom je onderweg dan nog wel wat obstakels tegen, maar uiteindelijk weten jullie je daar samen doorheen te slaan en kom je uit in de fleurige weide. Hiermee willen we laten zien dat als je samen onderzoek doet je daarvoor de tijd moet nemen, dat het soms best wel een beetje chaotisch is, maar dat je samen tot een heel mooi resultaat kunt komen. Je ziet samen namelijk meer dan alleen!

Hetteke vertelt over haar ervaringen als jonge onderzoeker

Ik vond alles heel leuk! Maar in het bijzonder twee dingen. 1: Dat Malou en ik samen het kunstwerk de stroming hebben gemaakt en 2: Dat de jongeren na het kennismaken samen hun perfecte onderzoeker geschetst hebben (maar dan in woorden) en dat we daarna daar een les over gingen geven. We deden tijdens die les het spel ‘over de streep’, daarbij zei dan een van de jongeren: “Ik betrek de kinderen goed bij mijn onderzoek” en dan moesten de volwassenen bij ‘ja’ of bij ‘nee’ gaan staan en daar dan verschillende stellingen van. We deden ook een rollenspel waarbij we twee verschillende toneelstukjes speelden per onderwerp, een waarbij de onderzoeker het niet goed deed en een waarbij de onderzoeker het juist wel goed deed.

Na deze workshop (en ook al tijdens het onderzoek van Malou) heb ik heel erg leren samenwerken. Ik ben namelijk zo’n typetje dat vindt dat haar eigen idee het beste is en je het moeilijk kan voorstellen dat dat andere idee beter is… maar nu kan ik me veel meer inleven in het andere idee, en daar kun je dan (waar ons kunstwerk ook voor staat) een perfecte tussenstroom in vinden.

Ook heb ik nog een tip voor de mensen die de workshop hebben georganiseerd. Ik vind het jammer dat ze alleen maar vertelden over hoe een onderzoeker met een kind moet omgaan maar niet over hoe een kind met een onderzoeker moet omgaan… Ik begrijp ook wel dat deze cursus vooral naar onderzoekers is gericht maar als je toch al vertelt hoe een onderzoeker met een kind om moet gaan waarom dan niet ook andersom.

Al met al vond ik het een hele leuke dag vol met uitdagingen, maar er valt dus wel nog wat te verbeteren. Ik verheug me op nog zo’n dag met Malou en Laura en om nog meer dingen met Malou te doen om kinderen een stem te geven!

Ik ben niet van suiker. Levensverhaal van een zeldzame diabeet

Mijn verhaal is een mooi voorbeeld van levensloopgeneeskunde. 40 jaar geleden werd ik drie weken te vroeg geboren. Ik was dysmatuur, had een hartafwijking en bleek diabetes te hebben. Ik ben toen drie maanden in het ziekenhuis met insuline behandeld. Daarna ‘was het over’ en ik ben er nooit meer op gecontroleerd. Ook niet toen ik op mijn vierde een hartoperatie kreeg vanwege een pulmonaal stenose en ventrikel septum defect. Echter, op mijn 22e (in maart 2001) kreeg ik een ketoacidose en de diagnose type 1 diabetes. Vanaf dat moment ben ik insuline gaan spuiten. Ik was snel goed en stabiel ingesteld met weinig insulinebehoefte, maar had wel al na vijf jaar ernstige retinopathie en een vertraagde maaglediging.

10 jaar geleden werd ik zwanger van mijn dochter Bente en vanaf dat moment raakte ik compleet ontregeld door overmatig overgeven en ik belandde in een angststoornis en depressie. Uiteindelijk werd Bente met 28 weken geboren en heeft ze tien weken op o.a. Neonatologie gelegen. Er volgden drie zware jaren om daar bovenop te komen. Ik probeerde allerlei therapieën en koos uiteindelijk voor een opname bij een Centrum voor Onverklaarde Lichamelijke Klachten (COLK). Hier leerde ik om weer de regie over mijn eigen leven te nemen.

Qua gezondheid ging het daarna drie jaar goed, maar in maart 2015 kreeg ik een terugval in mijn angstklachten als gevolg van een buikgriep. Ik besloot om EMDR-therapie te gaan doen om mijn zwangerschap pas echt te verwerken. Daardoor werd ik getriggerd om mijn diabetesverleden te onderzoeken. Ik had namelijk altijd al het vermoeden dat er iets niet klopte. Ik heb toen contact gezocht met twee artsen die mij na mijn geboorte behandeld hadden. Niet alleen was het heel bijzonder om hen na al die jaren te ontmoeten, het veranderde ook mijn leven. Zij bevestigden namelijk mijn eigen onderbuikgevoel en stimuleerden me om DNA-onderzoek te laten doen. Daardoor ontdekte ik dat ik een zeer zeldzame neonatale diabetesvorm heb door genafwijking 6q24, Transiënt Neonatal Diabetes Mellitus genaamd. In Nederland zijn slechts 33 gevallen van neonatale diabetes bekend, niet eens allemaal met mijn genafwijking. Na ruim zestien jaar insuline spuiten en te hebben geleefd als type 1 diabeet stapte ik in augustus 2017 over op pillen. Mijn kwaliteit van leven is sindsdien zoveel verbeterd!

Na alle ellende sta ik nu positief in het leven. Achteraf kan ik vol overtuiging zeggen dat ik ook een soort van dankbaar ben voor alles wat ik heb meegemaakt, hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken. Het heeft me namelijk ook heel veel opgeleverd. En dat wil ik ook graag uitdragen. Daarom heb ik over die jaren van mijn leven een autobiografie geschreven, met de titel ‘Ik ben niet van suiker. Levensverhaal van een zeldzame diabeet’.

Met mijn boek wil ik thema’s als (type 1) diabetes, prematuriteit, onverklaarde klachten, depressie, levensloopgeneeskunde en positieve gezondheid op de agenda zetten. Ik wil laten zien dat je met nog zoveel ellendige dingen geconfronteerd kunt worden in je leven, het gaat erom hoe je met tegenslagen omgaat. Uiteindelijk kan er ook iets positiefs uit voortkomen. Namelijk dat het je rijker maakt als mens en dat aanvaarden van de situatie zoals hij is, je al heel veel helpt om het beter te laten gaan. Je hebt zelf de sleutel in handen om de regie te pakken over je leven en je gezondheid.

Ik hoop dat mijn boek een inspiratiebron kan zijn voor een ieder die ook een mentale of lichamelijke strijd met zichzelf voert.

Judith van den Reek
Schrijver, spreker en coach in opleiding

Meer info: www.ikbennietvansuiker.com

AV1 Robot

‘Als Fiona (8) moe wordt, neemt de robot haar plek in de klas over’

Door een energiestofwisselingsziekte is de dochter van Selma (38) altijd moe. ‘Naar school gaan of speeldates met vriendjes zijn voor Fiona niet vanzelfsprekend.’

Naar schatting zijn er ruim 19.000 kinderen met een langdurige ziekte in Nederland. Zij missen hierdoor vaak (buiten-)schoolse activiteiten en de sociale contacten met vrienden. Zo ook Fiona. Maar nu is Botje er, een AV1 robot die haar plek overneemt in de klas wanneer zij er niet is en fungeert als haar ‘ogen, oren en stem’. Via het programma bondgenoten kan zij deze robot gratis lenen.

Lange zoektocht

Selma: ‘Als baby huilde Fiona veel. Ze was altijd moe en weigerde de borst en fles. Voor ons was al snel duidelijk dat er iets mis was, een gevoel dat met de jaren alleen maar meer bevestigd werd. Ze was te moe om zelf te eten en leefde op sondevoeding. Tijdens het lopen zakte ze regelmatig door haar benen en later op school merkten de leraren dat Fiona zich naar moeilijk warm kon houden tijdens het buitenspelen. Artsen bevestigden onze zorgen, maar konden er jarenlang geen diagnose op plakken. Op haar vierde kwamen we in contact met een nieuwe kinderarts en hij sprak voor het eerst over een energiestofwisselingsziekte. Alles lijkt erop dat de cellen in Fiona’s lichaam te weinig energie produceren. Als wij opstaan voelen we ons fit, Fiona wordt wakker met het gevoel net een marathon gelopen te hebben. Je ziet niets geks aan haar, maar alles wat ze doet kost haar bergen energie. Ook nadenken en zich concentreren. Daarom kan ze ook niet alle dagen naar school. Ze krijgt een paar dagen per week thuisles en gaat vier dagen om twaalf uur naar huis.’

Botje

‘Door haar ziekte mist Fiona helaas veel. Lessen, maar vooral ook de sociale contacten. Ze is er bijvoorbeeld nooit bij als er aan het einde van de middag speelafspraakjes worden gemaakt op het schoolplein. Dat vind ik zo jammer voor haar! Maar nu is Botje er, een AV1 robot beschikbaar gesteld door Vodafone Foundation en Stichting Kind en Ziekenhuis, die haar plek overneemt in de klas wanneer zij er niet is. Hij fungeert als het ware als haar ‘ogen, oren en stem’. De robot, die Fiona en haar klasgenoten Botje hebben genoemd naar het gelijknamige boek van Janneke Schotveld, wordt op Fiona’s tafel gezet als zij er niet is. Voor haar de ideale oplossing: ze zit in alle rust thuis, maar is er dankzij Botje toch altijd bij.’

Samen buiten spelen

‘Zodra Fiona inlogt, gaan in de klas de lampjes van Botje branden. “Hallo Fiona!”,  roepen haar klasgenootjes dan. Zo’n grappige, kleine robot vinden alle kinderen natuurlijk heel interessant. Via een app op de tablet kijkt Fiona al swipend rond in de klas. Ze kan ervoor kiezen om wel of geen geluid te horen en of ze wil terugpraten. Als de juf uitleg geeft over klokkijken luistert Fiona even mee, om daarna vanuit haar slaapkamer aan de opdrachten te werken. Spelen de kinderen buiten? Dan gaat Botje mee zodat Fiona niets hoeft te missen. Weet Fiona het antwoord op een vraag? Dan kan ze met een knopje haar vinger opsteken. Al logt ze maar even vijf minuten per dag in, dat doet al zo veel voor haar betrokkenheid met de klas. Fantastisch toch?’

Afscheid nemen

‘Botje is nu vier maanden in het leven van Fiona en het liefst doet ze hem nooit meer weg. Het is echt haar maatje geworden en ze geniet enorm van het contact dat ze via Botje met haar vrienden heeft. Ook tijdens de vakantie of als ze drie weken lang met griep op bed ligt. We mogen de AV1 robot nog twee maanden langer houden en dan gaat hij door naar een volgend kind dat langdurig ziek is (lees hierover meer onder de foto, red.).  Fiona gunt het andere kinderen ook, maar missen gaat ze hem zeker. Hoe mooi zou het zijn als er voor alle zieke kinderen altijd een Botje klaarstaat? Daar dromen we nu van.’

Ken jij een kind dat ook een robot nodig heeft?

Het Noorse bedrijf No Isolation bedacht voor kinderen als Fiona een hulpmiddel, de AV1; een robot die kan fungeren als de ‘ogen, oren en stem’ van het kind. De AV1 robot is niet voor iedereen bereikbaar en daarom stellen de Vodafone Foundation en Stichting Kind en Ziekenhuis 21 AV1 robots gratis beschikbaar aan kinderen met een langdurige ziekte. Omdat de meeste kinderen de robot tijdelijk nodig hebben, kunnen ze rouleren zodat nog meer kinderen er gebruik van kunnen maken. Via www.mijn-bondgenoot.nl kunnen ouders een aanvraag indienen.

Bron: Dit artikel verscheen eerder op Kek Mama.

Nazorg voorkomt erger

Onze dochter Anna overleed op negenjarige leeftijd aan de gevolgen van een hersentumor. De periode tussen diagnose en overlijden duurde slechts zes maanden. Anna was uniek, maar dat geldt niet voor een aantal ervaringen die we tijdens het ziekteproces en na haar overlijden hebben opgedaan. Die komen voort uit de manier waarop de zorg georganiseerd is, zijn het gevolg van politieke keuzes en een cultuur waarin we niet gewend zijn dat een kind overlijdt. In dit artikel beschrijf ik onze ervaringen rond een van die maatschappelijk relevante thema’s, de nazorg.

De eerste keer dat ik het woord ‘nazorg’ hoor, moet ik er niets van hebben. Wat een vreselijk woord.

Paul en ik zitten in de tuin met Judith, de pedagogisch medewerker van de thuiszorg. Anna en haar broertje en zusje zijn naar school. Judith is bij ons voor een kennismakingsgesprek. Via de huisarts is het contact met de thuiszorgorganisatie gelegd. We hebben nog geen behoefte aan ondersteuning bij de medische verzorging van Anna, maar maken ons zorgen over het geestelijk welzijn van alle drie de kinderen. David en Julie hebben woedeaanvallen. Wat doet deze traumatische wending in ons leven met hen?

Judith vertelt wat ze gezinnen zoal kan bieden. Spelen met het zieke kind, met broertjes en zusjes, en al spelend proberen gesprekjes te voeren. En dan is er dus ook nog de nazorg. Hoewel ze het woord zachtjes uitspreekt, een beetje terughoudend, ontploft er een bom in mijn hoofd. Nazorg… brrr… Dat moet de zorg zijn die komt na dat ene verschrikkelijke… Dat er een woord voor is geeft aan dat ‘het systeem;  er blijkbaar van uitgaat dat dat ene verschrikkelijke gaat gebeuren. Nou, niet bij ons. Of ja, wél bij ons, ik weet het wel, maar ik weiger erop vooruit te lopen.

In de weken die volgen wordt het contact met de mensen van de thuiszorg in hoog tempo heel intensief. Anna gaat hard achteruit, sneller dan iemand had verwacht. Behalve de pedagogische ondersteuning, wordt ook de verpleegkundige hulp opgestart. We hebben allemaal hetzelfde doel: zo goed mogelijk voor Anna zorgen. En voor David en Julie. Het contact met de mensen van de thuiszorg doet me in de verte denken aan hoe het destijds was met de kraamverzorgenden. Vreemden, met wie je snel vertrouwd raakt. Alleen de taak waar we hier samen voor staan, voelt duizendmaal zwaarder.

En dan komt de dag die ons leven doormidden snijdt. Ze zijn erbij. Annelies, coördinator van de thuiszorg, komt na het alarmerende telefoontje van Paul op haar vrije dag naar ons toe. Haar rust en kundigheid dragen ertoe bij dat wij in staat zijn tot het onmogelijke. Zonder paniek en vol liefde laten we onze Anna gaan. Het onvoorstelbare is gebeurd.

Daar is Judith. Als vanzelfsprekend richt ze zich op Julie, die haar nodig heeft. Ze gaan een troostzakdoek maken. Zo wordt dit hele grote, verschrikkelijke bespreekbaar en behapbaar voor een meisje van vijf.

De mensen van de thuiszorg zijn op de begrafenis, natuurlijk. Bij het afscheid zeggen ze: ‘Tot snel’ en ‘We laten jullie niet los’. Het geeft me een geruststellend gevoel. Het tegenovergestelde zou me angst in boezemen. Alsof Anna nog meer weg zou zijn.

Wat volgt is pijn, verdriet, gemis, nog meer pijn, uitputting, onmacht, boosheid, hysterie, onbegrip, wanhoop, en nog veel meer pijn. Het leven is zwaar.

Ook de omgang met familie, vrienden en kennissen is moeilijk. We willen praten, maar leren ons in te houden. Ik zie mensen afhaken als ik iets vertel. Soms gaat dat wel heel bruut. Een van de eerste keren dat ik met zenuwen in mijn buik en tranen achter mijn oogleden een herinnering wil delen, onderbreekt mijn gesprekspartner me al na twee zinnen: ‘O wacht even hoor, wat gebeurt daar nou?’ Ze kijkt naar iets onbetekenends op het schoolplein. Even later: ‘Maar goed, jij zei….?’ Ik vertel niet verder. Het moment is voorbij. Soms merk ik dat mensen in hun hoofd bij de eerste zin van mijn verhaal zijn blijven hangen. Blijkbaar was die al zo heftig, dat de rest überhaupt niet is doorgedrongen. Voor ons is het ons leven, voor hen is het pure horror. Ook het noemen van haar naam schijnt moeilijk te zijn. Het komt voor dat we drie dagen met mensen optrekken zonder dat iemand van hen de naam ‘Anna’ uitspreekt. We proberen begrip op te brengen voor deze reacties (Hoe zouden wij het doen, in hun plaats?), maar de pijn is immens.

Wat troostrijk is het dan om de mensen van de thuiszorg op bezoek te hebben. Ze zijn niet bang voor Anna’s naam. Integendeel, ze noemen haar graag en vaak. Altijd willen ze weer over haar praten, en over wat er gebeurd is. Ze schrikken nergens van. We kunnen alles zeggen en hoeven geen rekening te houden met hun verdriet. Ze zeggen ook altijd iets terug. Ze slaan niet dicht, overrompeld door de heftigheid. Ze erkennen onze eenzaamheid en ons verdriet: ‘Niemand weet wat zich hier tussen deze vier muren heeft afgespeeld’. Ze denken mee en geven advies: ‘Misschien niet forceren, dat gesprek met familie over Anna’. Ze snappen veel, en als ze het niet snappen, durven ze door te vragen.

Met Julie wordt er geknutseld. Ze mag op een groot papier liggen, waar haar hele lijf met viltstift op wordt omtrokken. Pijlen erbij die aangeven waar ze het voelt als ze boos of verdrietig is (buik, hoofd), en wat ze dan kan doen (kranten scheuren, knuffelen met papa of mama). Hilarisch vindt ze de waterhelm die Judith meebrengt. Als je aan het verkeerde stokje trekt dat door de helm steekt, loopt er een plasje koud water over je gezicht naar beneden. Lachen werkt ook therapeutisch.

Praten tijdens de koffie, of praten tijdens het knutselen en spelen. Samen naar de dvd van de begrafenis kijken. Nazorg dus. Terwijl de hele wereld doordraait alsof er niets gebeurd is, mogen wij even terug naar de tijd dat Anna er nog was. Met mensen die erbij waren toen alles misging. Na zo’n portie liefdevolle aandacht, kunnen wij er weer een poosje tegen.

Groot is onze verbazing als we ontdekken dat deze nazorg niet wordt vergoed. Maar we hoeven ook niets te betalen. Vrijwilligerswerk dus.

Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Wat worden we dan geacht te doen als we hulp nodig hebben, vragen we ons af. Het idee is dat we dan naar de huisarts gaan, wordt ons verteld. Die kan een rouwtherapeut of een psycholoog inschakelen. Een nieuw traject dus, met nieuwe mensen. Ik wil geen nieuwe mensen! Zij waren er niet bij, toen het allemaal gebeurde. Ze hebben Anna niet eens gekend en staan dus al met 3-0 achter.

Vergelijk het met praten over je jeugd. Dat doe je toch het liefst met oude vrienden, met je broer of je zus? Mensen aan wie je niet hoeft uit te leggen hoe je vader kon zijn, hoe het vroeger bij je thuis was, wat de ongeschreven regels waren. Met nieuwe vrienden heb je geen idee waar je moet beginnen.

Wij maakten om precies te zijn drie weken voor het overlijden van Anna kennis met de thuiszorg. Als wij al de behoefte voelen om deze mensen te blijven zien, hoe moet dat dan wel niet zijn voor gezinnen waar ze maanden, soms jaren, over de vloer geweest zijn? Wat moet dat eenzaam voelen, om na het overlijden van je kind ook nog eens de mensen die zo lang voor hem of haar gezorgd hebben te moeten missen. Van de ene op de andere dag.

Natuurlijk hebben nieuwe trajecten, met rouwtherapeuten of psychologen ook hun waarde. Als er specialistische kennis nodig is, als mensen echt helemaal vastlopen. Maar zou het vastlopen soms niet voorkomen kunnen worden door de liefdevolle nazorg van de mensen van de thuiszorg? Als het contact rustig afgebouwd kan worden, in plaats van ‘cold turkey’ op de dag van overlijden van het kind? Als de deur ook na afbouw van het contact op een kier blijft staan?

Nieuwe vrienden zijn fijn, maar niet ter vervanging van de oude. Ik gun het alle ouders in een vergelijkbare situatie dat het lijntje met de ‘oude vrienden’ kan blijven bestaan. Het zou mooi zijn als ‘het systeem’ in de toekomst niet alleen een woord kent voor nazorg, maar ook de financiering ervan goed regelt.

Moeder van Anna, Irma van Leeuwen

Als ik later doodga

Sinds ik moeder ben, ben ik meer bezig met mijn eigen sterfelijkheid. Wat als ik er later niet meer ben? In het geval van Fiene probeer ik haar, zoals alle ouders, zo goed mogelijk voor te bereiden op het leven. Ik tracht haar naar mijn beste kunnen zelfredzaam en zelfstandig te maken. Bij Bommel is dat echter een heel ander verhaal…

Bommels zelfredzaamheid is nul komma nul. Bij alle dagelijkse handelingen moet ik haar volledig ondersteunen. Dus dat hele ‘opvoed-ding’ is bij haar toch een tikkie lastiger. Nu heb ik de dood altijd al een heel stom concept gevonden, maar door de komst van Bommel schaf ik dit fenomeen het liefst helemaal af. Ik bedoel, ik kan toch niet meer doodgaan?! Minstens 130 jaar moet ik worden, heb ik berekend. Want hoe moet het met mijn lieve Bommel, als Tycho en ik er niet meer zijn?

Wie knuffelt haar dan zoals alleen wij dat eigenlijk kunnen? Wie ‘leest’ haar non-verbale taal dan zo goed als wij? Wie weet dan precies wat te doen als alles haar teveel wordt? Kent ze dan nog wel het gevoel van échte liefde, dat er van iedere vezel van haar gehouden wordt? Wie laat haar dan voelen dat ze er mag zijn zoals ze is? Wie koestert haar dan?

Fases, keuzes en onvoorwaardelijke liefde

Bommel is pas 6, dus wij gaan nog allerlei fases doormaken. We zullen ooit ook keuzes moeten gaan maken over een woonvorm buitenshuis, wellicht. Daar ben ik me terdege van bewust. Ook moeten wij onze zaken goed regelen voor als wij later dood zijn. We zullen hier ook met Fiene gesprekken over moeten voeren. Wil zij een rol vervullen in de zorg voor Bommel en wat voor rol zou dat dan zijn? Hoe kunnen wij haar nu helpen zodat de zorg voor haar en voor Bommel voor later geborgd is?

We zullen hier fasegewijs in groeien. Wij zijn goed in praktische dingen regelen en organiseren, dus ik denk dat we daar wel een weg in zullen gaan vinden. Daar lig ik (nu nog niet) wakker van. Wat me echter wel bezighoudt, zo af en toe als de wereld slaapt, is de aandacht, de warme zorg en vooral de liefde. Oprechte, onvoorwaardelijke liefde. Voelt Bommel zich dan nog zo gekoesterd als nu? Daar kan ik me nu soms al druk om maken.

Op een avond komt Fiene, zonder dat ze weet van mijn zorgen, met een oplossing.

Tijdens het avondeten nemen we door hoe onze dag geweest is. Ook deze avond gaat het om huiswerk, de uitslag van een toets, werk en wat we dit weekend gaan doen. Even is het stil aan tafel. Fiene doorbreekt de stilte door te vertellen dat een aantal klasgenootjes hebben gezegd dat ze later wel vader of moeder willen worden en dus een kindje zouden willen. Fiene wil dat ook wel, zegt ze: ‘Een of twee kindjes, en dan kan Bommel gewoon ook bij mij wonen.’ Tycho en ik kijken elkaar verrast aan. ‘Wil je dat?’, vraag ik. ‘Ja, want dan ik bijvoorbeeld haar medicijntjes geven, want wie moet dat anders doen?’, antwoordt Fiene. ‘Het enige wat ik lastig vind is als ik later doodga. Ik weet dan niet goed wie er voor Bommel moet zorgen. Misschien kan een van mijn kinderen dat dan doen.’ Ik zeg dat het een goed idee is, maar dat we het er nog wel eens over hebben als ze wat groter is. Ik leg Fiene uit dat we het heel fijn vinden, maar dat ze geen druk moet voelen. ‘Ik voel helemaal geen druk, hoor mam. Ik wil het zelf. En weet je, als ik later doodga dan neem ik Bommel wel mee. Dan gaan we gewoon samen’, besluit Fiene.

Wat prijs ik mezelf enorm gelukkig dat ik een kind heb dat mijn zorgen en levensvragen oplost voor het avondeten op is!

Mantelmama

Vera, trotse moeder van 2 dochters (waarvan 1 zorgintensief zonder diagnose), getrouwd, tekstschrijver en spreker. Baant zich een weg door het oerwoud van de medische wereld en schrijft blogs & columns over haar avonturen. Spreekt over haar persoonlijke ervaringen om bij te dragen aan het verbeteren van de Kindzorg.

www.mantelmama.nl

Roze bril | Blog Mantelmama Vera

Ineens was daar een bekend gezicht op het wereldwijde web. Een doktersassistent uit de periode toen Bommel net geboren was en opgenomen lag in het ziekenhuis. Ik heb hem daarna nooit meer gezien. Op het web rept hij over het verbeteren van de zorg en ik reik hem graag een verbeterpunt aan…!

Bommel werd opgenomen in het ziekenhuis toen zij slechts 2,5 week oud was. Ik was dus een onervaren Mantelmama en bovendien net bevallen (lees: hartstikke hormonaal). En ja, ik had een roze bril op. Net als haar zus vind ik Bommel het allermooiste meisje van de hele wereld. Ik zag toen dan ook niet hoe slecht ze er eigenlijk uitzag. Hoe ze langzaam inteerde en haar kleur helemaal niet mooi ‘baby roze’ was, maar dat ik die kleur zelf aanbracht door mijn roze bril.

Voeding en ademhaling

Die ziekenhuisperiode wisten we eigenlijk nog maar een fractie van haar aandoeningen. Het ging toen vooral om Bommels voedingsproblemen, het niet in staat zijn om zelf voldoende te kunnen drinken en daarmee waren ook haar weerstand, gewicht, temperatuur en haar energieniveau een probleem. Daarnaast ontdekten we haar ernstige ademhalingsproblemen en slappe luchtpijp. Hierdoor stopte ze om de haverklap even met ademen. Wat zo ontzettend beangstigend was, was dat niemand ons kon vertellen waarom Bommel dit mankeerde en wanneer en of we überhaupt naar huis zouden kunnen.

Getallen en strohalmen

In een redelijk troosteloze situatie waarin te pas en te onpas allerlei zorgverleners ‘even’ onze kamer binnenkwamen, ging ik op zoek naar al het positieve wat er nog was. Want al die ernstige blikken op de monitor en dan op mijn oogappel deden me geen goed. Niemand die eens uit zichzelf zei dat Bommel een goede dag had. Het voelde voor mij alsof niemand de prestaties die Bommel leverde goed genoeg vond. Niemand leek te zien hoe dapper ze streed. Waardes. Metingen. Uitslagen. Standaarden. Daar draaide het om en ik werd er gillend gek van. Getallen en grafiekjes, dat was Bommel voor hen. Althans, zo voelde het en dat zoog me leeg.

In mijn optiek kun je het ouders niet kwalijk nemen dat zij zich in een dergelijke wereld proberen vast te klampen aan dat wat wél goed gaat. En dat is precies wat wij deden. Ik kleurde de glazen van mijn bril extra roze om al het zwarte om ons heen zoveel mogelijk op afstand te houden. Het waren soms minuscule strohalmpjes waar Tycho en ik ons aan vastklampten. In hun kleinheid waren het voor ons grote reddingsboeien; bakens van hoop. Een vleugje licht in de duisternis.

Geen bevorderende sfeer

We gingen op zoek naar de criteria waar Bommel aan moest voldoen om naar huis te kunnen. Onze dagen draaiden dan ook om volle luiers, geen grote dips in zuurstof, flessen die leeggedronken moesten worden en om bloedgassen die goed waren (of Bommel te veel koolzuur stapelde, of niet). Als er dan weer eens een zorgprofessional onze kamer binnenkwam, zat ik met samengeknepen billen bij Bommels bedje. ‘Even geen adem stops laten zien nu schatje’, dacht ik dan. Zo erg was het! Zo negatief voelde de sfeer om ons heen. Niet bepaald bevorderend.

Wij waren enorm blij als Bommel een halve fles of soms een hele zelf dronk en er vrijwel niks via de voedingssonde hoefde. We vulden ons met hoop als haar monitor even liet zien dat haar saturatie 98% was of soms zelfs even de 100% aantikte. En dat vertelden we dan vol trots aan de eerstvolgende arts die we zagen. Wij hadden die momentjes zo hard nodig om onszelf door die totale onzekerheid en slopende zorgen heen te slepen.

Een harde klap

Op een ochtend troffen we de doktersassistent die ik noemde en een kinderarts. Bommel deed het die ochtend naar ons idee enorm goed, gezien de omstandigheden. Dat werd nota bene ook beaamd. Ze waren blij verrast. Ik ben echter nooit vergeten wat ik toen te horen kreeg: ‘U wilt altijd alles zo positief zien. U bent iedere keer op zoek naar positieve bevestiging.’ Ik stelde dat dit wellicht zo was, maar dat dit kwam omdat wij in die 4 weken die we op dat moment in het ziekenhuis waren continu getemperd werden in ons enthousiasme. En dat we het daar wel mee gehad hadden. ‘Je durft bijna niet meer te vertrouwen op de dingen die goed gaan op deze manier.’, zei ik.

Geen begrip

Die opmerking heeft me zo enorm gekwetst. Diep geraakt, was ik. Wát een gebrek aan empathie… Ik kan er nu, 6 jaar later, nog niet over uit dat zij dit over hun lippen hebben gekregen zonder te kijken naar hun eigen handelen. Ik werd weggezet als ‘zo’n ouder’. Zo eentje die niet wil horen wat er aan de hand is. Maar dat was niet het geval, ik was niet in ontkenning en ik had de ernst van de situatie meer dan door. Wij gingen immers elke dag door een totale hel. Wat wij deden was niks anders dan een manier zoeken om staande te blijven in een klinische wereld die draait op protocollen en statistieken. Wij zochten bijna wanhopig naar de mens achter ‘de witte jas’. Wij wilden hoop houden en – belangrijker nog – vertrouwen houden in ons kind. Met hun opmerking gaven zij mij het gevoel alsof dat iets belachelijks was. Er was totaal geen begrip.

Dus, beste doktersassistent, dit is mijn verbeterpunt voor jou als het aankomt op ouders zoals ik met een roze bril:

Ik kan het met je eens zijn dat de sterkte soms aangepast dient te worden zodat een scherpe blik behouden blijft. Ook is er wellicht zoiets als ‘te roze’ en moet de glastint wat realistischer ingesteld worden. Er is echter één gouden regel die altijd in acht genomen moet worden en die je, in mijn optiek, niet mag overtreden:

Ontneem. Nooit. Iemand. Zijn. Zicht!

Mantelmama

Vera, trotse moeder van 2 dochters (waarvan 1 zorgintensief zonder diagnose), getrouwd, tekstschrijver en spreker. Baant zich een weg door het oerwoud van de medische wereld en schrijft blogs & columns over haar avonturen. Spreekt over haar persoonlijke ervaringen om bij te dragen aan het verbeteren van de Kindzorg.

www.mantelmama.nl

Nieuwe schoenen

Ik word er altijd heel blij van, van nieuwe schoenen. Zeker als ze direct als gegoten zitten. Heerlijk is dat. Bommel denkt daar echter heel anders over. Haar nieuwe schoenen zijn nota bene op maat gemaakt, passend bij haar voetjes. Ze wordt er alleen nog niet zo blij van als ik…

Echte schoenen zijn het. Voor over haar spalken. Tot nu toe liepen we te hannesen met van die grote slofsokken. Om de haverklap gingen die natuurlijk kapot. Want die dingen zijn gemaakt voor om zachte voeten, niet voor om keiharde spalken met antislipzool! De slofsokken zijn in beeld gekomen omdat Bommels spalken inmiddels zó zijn aangepast, dat zelfs de meest goedkope gymp er niet meer omheen past, ook niet met de binnenzool eruit gesloopt.

Naast het feit dat het in de wintermaanden toch wat fris aan de voeten is, helpen die sokken ook voor geen meter als het gaat om het bieden van stabiliteit met sta-oefeningen. Bommel kan nog steeds niet staan of lopen, maar er wordt wel volop geoefend, onder andere in een statafel. Al met al werd het hoog tijd voor een paar echte schoenen!

Lekker customizen

Gelukkig is het opmeten van orthopedische schoenen een stuk makkelijker dan het opmeten van spalken. Geen voetjes in het gips en daardoor geen gekrijs van Bommel, maar gewoon de spalk opmeten en toen wist de schoenmaker genoeg. Ik kon alles zelf uitkiezen: de kleur, het type zool, veters of klittenband en zelfs stoere stiksels.

Wennen aan stoere stappers

Toen we de schoenen kregen vond ik ze meteen aandoenlijk om te zien. Schattige en toch ook stoere stappers! Toen de schoenen echter aan Bommels voeten zaten waren het ineens hele grote units. Een heel ander gezicht!

Bommel moest zelf ook wennen. Toen ze haar spalken kreeg, volgde er ook een wen-periode. Ze vond het maar gekke dingen aan haar voeten die er niet hoorden. Ze belemmerden haar zelfs met op de grond spelen. Na verloop van tijd verdween dat gelukkig en nu tijgert ze met spalken aan over de vloer. Maar ja, deze schoenen zijn ook weer nieuw en wennen… dus toen ik laatst bij Bommel op de grond zat, vond ze het ineens lastig om naar me toe te tijgeren. Met een moeilijke, serieuze blik keek ze van haar schoenen naar mij en gaf een jengel. Boodschap luid en duidelijk: Mam, ik vind die dingen maar niks!

Inmiddels weet ik dat dit soort nieuwigheden tijd kosten bij Bommel. Als we ze maar iedere dag aandoen, dan went ze er wel aan en zal ze uiteindelijk ook met schoenen aan gaan tijgeren. En hopelijk brengen ze haar ooit nog letterlijk en figuurlijk een stapje verder…!

Mantelmama

Vera, trotse moeder van 2 dochters (waarvan 1 zorgintensief zonder diagnose), getrouwd, tekstschrijver en spreker. Baant zich een weg door het oerwoud van de medische wereld en schrijft blogs & columns over haar avonturen. Spreekt over haar persoonlijke ervaringen om bij te dragen aan het verbeteren van de Kindzorg.

www.mantelmama.nl

Bloedprikken & Dormicum

Ik wist niet dat bloedprikken zo ingewikkeld kon zijn! Tot nu toe lukte het altijd redelijk bij Bommel, maar dit keer werd onze jaarlijkse priksessie een enorme puzzeltocht…

– Met mijn dank aan Dr. Leroy, kinderintensivist in het Maastricht UMC+ en directeur van de Pediatrische Procedurele Sedatie Unit, voor de informatie over Dormicum en feitelijke check. –

Prikken, buisjes opsturen, wachten en de uitslag. Klaar! Alleen dit keer niet. Ineens bleken Bommels vaten niet te vinden. Geen idee waar die gebleven zijn. En omdat er nog geen plan was voor het voorkomen van dwang, werd Bommel in de houdgreep genomen en in haar voet geprikt. Dat leek de beste plek. Na een onplezierige sessie en een bont en blauw voetje, kregen we ook nog eens een uitslag die we niet aan hadden zien komen: schildklierproblemen. Mogelijk een te snel werkende. Maar: ‘dat weten we niet zeker, want we hebben te weinig bloed om alle waardes goed te kunnen checken. Dus het moet nog een keer…’

Prikpoging 2

Bij poging 2 zorgde ik voor een plan, samen met onze Arts voor Verstandelijk Gehandicapten (AVG): Lorazepam om Bommel meer relaxed te maken en EMLA pleisters als pijnbestrijding. Voor de zekerheid heb ik er op meerdere plekken een geplakt. Je weet maar nooit! De Lorazepam heeft o.a. bij de Uroloog en de Orthopeed goed gewerkt bij Bommel, dus ik hoopte dat dit nu ook het geval zou zijn. Maar ook deze keer bloedprikken werd een fiasco. Bommel verzette zich met hand en tand, zoals ze altijd doet. Met moeite werd er een piepklein buisje met bloed gevuld. Hopelijk genoeg om in ieder geval die schildklierwaardes te checken. Maar nee, de uitslag dit keer: ‘de schildklierwaardes lijken nu goed, maar we hebben te weinig bloed om het zeker te weten. Dus het moet nog een keer.’ We hadden nu dus geen idee welke uitslag betrouwbaar was. Absoluut niet fijn.

Poging 3…

Wat begon als gewone, routinematige check werd nu een soort gebed zonder eind. Maar deze 3e keer werd er niet geprikt tot we Bommels prikplan geoptimaliseerd hadden. De Lorazepam bleek voor haar geen goede oplossing. Dit zorgde er ‘alleen’ voor dat ze zich meer relaxed voelde. Dat is dus niet voldoende voor haar als het om bloedprikken gaat, dat heeft ze ons duidelijk laten merken!

Onze AVG stelde een lage dosering Dormicum voor (ook wel: Midazolam). Dit middel maakt echt suf. Een spannende factor voor ons was wat dit medicijn met Bommels ademhalingsproblemen zou doen. Omdat het een spierverslappend effect heeft, zorgt het er ook voor dat je ‘ademhalingsorgaan’ slapper wordt. Daarom kreeg ze het middel niet thuis, maar in een behandelkamer van ‘s Heerenloo.

Reacties op social media

Die ochtend postte ik een bericht op social media en daar kwam een stortvloed aan reacties op. Van hele positieve ervaringen tot hele negatieve. Sommigen kenden Dormicum alleen als noodmedicatie voor epilepsie, anderen beschreven veel nare bijwerkingen tot ernstige allergische reacties. En bij een aantal kinderen had het juist een averechts effect gehad en waren ze er hyper van geworden.

Ikzelf kende het nog van Bommels eerste operatie toen ze 5 weken oud was. Op de PICU (de kinder intensive care) kreeg ze Dormicum zodat ze in slaap bleef na de operatie en kon herstellen. Ik vond het altijd een lugubere naam en ik vond het erg spannend hoe het bloedprikken nu zou gaan.

Maatwerk. Maatwerk. Maatwerk!

Voor mij waren alle reacties een aanleiding voor deze blog. Eén ding wil ik namelijk graag benadrukken: maatwerk is hét sleutelwoord! Ieder kind is anders en ieder kind reageert anders. Dus is het belangrijk om per kind te bekijken wat hij of zij nodig heeft en wat werkt. En dat hoeft niet eens medicatie te zijn.

In ons geval geldt dat ik samen met onze AVG letterlijk per onderzoek en per handeling een plan maak. Voor Bommel is wel ondersteuning met medicatie nodig en Lorazepam lijkt bij haar goed te werken als het gaat om een echo en het maken van een röntgenfoto, maar het blijkt dat er voor haar iets anders nodig is als het gaat om bijvoorbeeld bloedprikken. Als we dit niet doen, moeten we de houdgreep en dwang blijven gebruiken omdat prikken anders simpelweg niet lukt. Dat wil ik niet meer voor haar.

Wat ik in mijn blogs schrijf of op social media plaats is dan ook zeker geen advies of totaaloplossing voor alle (zorgintensieve) kinderen. Ik deel onze ervaringen en welke afwegingen wij persoonlijk maken puur als voorbeeld en om bewustwording te creëren dat er überhaupt opties zijn. Dat wist ik tot voor kort namelijk niet, dat er mogelijkheden zijn om dwang, stress en pijn te voorkomen (zie mijn 1e blog over dit onderwerp)!

Dormicum: wat goed is om te weten

Dormicum - Midazolam - MantelmamaOmdat de ervaringen zo uiteenlopen als het om Dormicum gaat, heb ik Dr. Piet Leroy gevraagd om meer informatie. Deze deel ik graag met jullie:

  • Het is goed te weten dat Dormicum / Midazolam er is in allerlei doseringen en toepassingen. Zo is het er als pil, neusspray (alleen brandt dit behoorlijk!), zetpil en als drank. Wij hebben de tabletvorm gebruikt en deze verpulverd door wat eten aan Bommel gegeven.
  • Dormicum hoort bij de zogenaamde benzodiazepines. Deze groep van medicijnen hebben 5 kenmerken met elkaar gemeen: ze zijn anti-epileptisch, sedatief (slaapverwekkend), spierontspannend, anxiolytisch (angst remmend) en ze leiden tot een kortdurende amnesie (het tijdelijk niet opslaan van gebeurtenissen in het geheugen).
  • Vooral voor het gebruik als anti-epilepsie middel en als slaapmiddel bestaat redelijk wat wetenschappelijk onderzoek. Dormicum als hulpmiddel om een kind door een vervelende medische verrichting te loodsen is helaas veel minder goed onderzocht. Toch wordt het middel heel vaak in deze context toegepast.

Vooral de hoop dat een kind dankzij Dormicum minder bang zal zijn en eventueel doorgemaakte stress en pijn toch zal vergeten zijn daarvoor de belangrijkste redenen, net zoals bij Bommel tijdens het bloedprikken.

  • Een kanttekening die hier wel geplaatst moet worden is dat je door dit middel de controle over jezelf compleet kan kwijtraken. Als er dan iets onverwachts gebeurt of er wordt iets vervelends of pijnlijks gedaan (bijvoorbeeld bloedprikken zonder verdovende zalf), dan kan het zijn dat je hiervan toch in paniek raakt. Zeker als je hier al angst voor hebt. Dan kan Dormicum een averechts effect hebben en kan het negatief werken en zelfs tot blijvende angst leiden. Dit middel is dus helemaal niet zo angst remmend als vaak wordt aangenomen.
  • En ook met het wissen van nare herinneringen zit het anders dan vaak wordt gedacht. Er is goed onderzocht wat Dormicum daadwerkelijk voor effect heeft op het geheugen van jonge kinderen. Hierbij moeten we onderscheid maken tussen ons ‘bewuste geheugen’ en ons ‘onbewuste geheugen’. Bewust is meer hier & nu. Je leest nu deze blog en morgen weet je als het goed is ook nog dat je dit hebt gelezen. Het onbewuste geheugen slaat bijvoorbeeld geuren, geluiden en de sfeer die er heerst op. Dit zijn geen dingen je die bewust registreert, maar die je wel in verband brengt met dit moment.
  • Dormicum onderdrukt het bewuste geheugen wel degelijk. Je slaat minder goed op wat er op dat moment gebeurt, maar toch nog altijd wel zo’n 60%. Je onbewuste geheugen blijft echter 100% intact! Dus het onbewust registeren van dingen die je stress zouden kunnen geven, gaat nog steeds door. Dit is wellicht de verklaring waarom sommige kinderen slecht reageren op Dormicum en anderen goed.
  • Hoe dan ook staat vast dat Dormicum niet voor alle kinderen geschikt is. Soms kom je daar pas achter nadat je het een keer hebt geprobeerd. Dit geldt overigens ook voor nogal wat andere rustgevende medicijnen die tijdens medische verrichtingen worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld lachgas. De een reageert er goed op en de ander juist helemaal niet. Daarom is maatwerk per kind en per situatie ook erg belangrijk als het op een medicijnkeuze aankomt! De zoektocht naar geschikte medicijnen voor tijdens onderzoeken & medische handelingen gaat overigens door. Deze ontwikkeling staat dan ook zeker niet stil.
  • Daarnaast geldt: behaalde resultaten in het verleden, bieden geen garantie voor de toekomst. Het kan bijvoorbeeld zijn dat jouw kind de eerste 2 keer goed reageert op een bepaald medicijn, maar een derde keer mogelijk niet. Het draait namelijk niet alleen om de medicatie. Ook alle andere omstandigheden moeten goed zijn: de arts, de omgeving, zo weinig mogelijk andere prikkels, er moet geduld & tijd zijn, de plaatst van de prik moet lang genoeg vooraf verdoofd zijn, etc.

In ons geval met Bommel kan het dus zijn dat we onze plannen nog eens aan moeten passen en dat we opnieuw moeten zoeken naar wat werkt.

Hoe ging prikpoging 3?

Voor Bommel en voor ons pakte het gebruik van een kleine dosis Dormicum goed uit. Er was de 3e keer geen houdgreep of dwang nodig. Ze liet alles over zich heen komen. Geen stress, geen hysterie.

Wat ik met dit plan echter niet opgelost kreeg was het feit dat de prikverpleegkundige alle keren eigenlijk geen vaten kon vinden om in te prikken. Dus de hoeveelheid bloed was helaas weer niet voldoende om uitsluitsel te krijgen. Toch vreemd, want Bommel is de afgelopen jaren vaker geprikt en nog nooit zijn we hier zo op vastgelopen als nu. Met dit laatste puzzelstukje ga ik nu aan de slag, samen met onze Kinderarts. Wordt vervolgd…!

Mantelmama

Vera, trotse moeder van 2 dochters (waarvan 1 zorgintensief zonder diagnose), getrouwd, tekstschrijver en spreker. Baant zich een weg door het oerwoud van de medische wereld en schrijft blogs & columns over haar avonturen. Spreekt over haar persoonlijke ervaringen om bij te dragen aan het verbeteren van de Kindzorg.

www.mantelmama.nl

Waarom werden de zorgen over mijn kind niet gehoord?

DE ACHTERBAN | In de zorg draait alles om de kinderen (patiëntjes), maar hoe gaat het met de mensen om hen heen? Wat zijn de ervaringen van ouders, broers, zussen, grootouders, vrienden en vriendinnen?

Waarde huisartsen, kinderartsen en consultatiebureau-artsen,

Ruim vier jaar geleden werden we ouders van een prachtig lief meisje. Het was spannend om de eerste keer moeder te worden. De bevalling was me meegevallen en ik voelde me een powervrouw. Ik kon alles aan.

De roze wolk maakte echter al snel plaats voor donkere wolken. Onze dochter had problemen met slapen; ze huilde uren achter elkaar en was ontroostbaar. Ze kon de rust niet vinden om te slapen. Dit zorgde voor uitputting bij ons allemaal. Het liefst was ze heel dichtbij je. Ik kon geen moment van haar zijde wijken. Onder de douche of naar het toilet gaan was eigenlijk al onmogelijk. Langzaamaan baarde me dit zorgen. Subtiele dingetjes vielen in de eerste weken na de geboorte op, zoals het draaien met haar hoofd uit een soort ongenoegen. Het maken van snurk-geluidjes (Deze geluidjes heb ik benoemd bij de kinderarts toen ze vier maanden oud was. Later bleek dit een belangrijk signaal).

Na de eerste drie weken kwamen daar in toenemende mate darmkrampen en problemen met de ontlasting bij. De lactulose die werd voorgeschreven, maakte alleen maar dat ze het uitgilde van de pijn. Uren hebben we met haar rondgelopen en liedjes gezongen.

Na zes weken zat ik bij de arts van het consultatiebureau: ‘Ik kan dit op deze manier niet lang meer volhouden’. Waarop zij vertelde dat de piek bij baby’s ongeveer ligt bij zes weken – daarna wordt het alleen maar makkelijker. Bij zeven weken oud zag en voelde ik af en toe trillen van haar armen en schokjes van haar benen.

Toen ze drie maanden oud was, vlak voor kerst, was ik opnieuw bij de consultatiebureau-arts. Ons dochtertje liet met haar ogen extreme reacties op licht zien, die me het onbehagelijke gevoel gaven dat er neurologisch iets niet klopte, maar voor de consultatiebureau-arts en ook de huisarts en later de kinderarts was er geen reden tot zorg. Het waren de problemen met de ontlasting, die uiteindelijk zorgden voor een verwijzing naar de kinderarts.

Eind januari (ze was toen vier maanden oud) was het huilen niet minder geworden en had ze zelfs achttien dagen geen ontlasting gehad. Op de piekmomenten had ik haar 24 uur per dag bij me, overdag in de draagzak op mijn buik. Tegen de onrust en het eindeloze huilen bleef ik continu in beweging. Mijn vriend gaf me zelfs staand het avondeten.

De eerstvolgende afspraak bij de consultatiebureau-arts zei ik huilend: ‘Ik weet het niet meer, mag ik haar hier achterlaten’. Het enige advies dat volgde was een nieuwe afspraak, een maand later, en een telefonische afspraak met de diëtist om te kijken of melkallergie een rol zou kunnen spelen. Ik voelde me wanhopig en ongehoord.

Naar welke afspraak ik ook ging: de huisarts, de consultatiebureau-arts of de kinderarts, het antwoord op alles was: het is een variatie van normaal. Toen ze zes maanden oud was en we tijdens onze derde en laatste afspraak bij de kinderarts zaten, zei ze: ‘Je moet accepteren dat je een gezond kind hebt’, waarop mijn reactie was: ‘Waar kan ik tekenen’. Ondanks dat ik in dat gesprek meerdere malen heb herhaald, dat ik als moeder het gevoel had dat er wel degelijk iets aan de hand was. Voor de kinderarts was het echter einde behandeling. Het enige wat na negen maanden restte was een afspraak voor een koemelk allergie test, die ik door de voortdurende problemen van mijn dochtertje meerdere malen heb afgezegd en verplaatst.

De afspraken bij het consultatiebureau waren inmiddels ook minder frequent. Op het bureau hebben ze helaas nooit gesignaleerd dat de gevolgen van de ziekte ook syndromale veranderingen van haar gezicht lieten zien. Ook de veranderingen in groeicurven zijn niet opgepikt.

Uiteindelijk is veertien maanden na haar geboorte het balletje gaan rollen en werden signalen van het afwijken van de groeicurven en de vertraagde motorische ontwikkeling opgepakt door de consultatiebureau-arts, waarvoor zij nieuwe een verwijzing naar de kinderarts zinvol achtte.

Mijn moederinstinct gaf aan dat het echt niet klopte. Ik heb op internet gezocht naar de signalen en verbanden gelegd met als gevolg dat ik zelf de diagnose stelde. Na een aantal weken vol spanning bevestigde de onderzoeken mijn vermoeden: een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. De dag dat onze grootste liefde ook ons grootste verdriet werd.

Snelle behandeling van de stapelingsziekte van onze dochter is van levensbelang om schade in elke cel van het lichaam te voorkomen. Ik speel de film nog vaak in mijn hoofd af: Waarom hebben ze niet naar mij geluisterd? Vanwege de zeldzaamheid van de ziekte was het voor de artsen lastig om tot de juiste diagnose te komen, maar waarom waren mijn signalen en mijn zorgen niet veel eerder aanleiding voor nader onderzoek of minstens voor het nauwgezet volgen van een baby? Dit zou een deel van de lichamelijke en cognitieve schade van onze dochter hebben kunnen voorkomen. Wat kun je als ouder nog meer doen?

Laura Ruitenburg

Eigen rubriek | Stichting Kind en Ziekenhuis